Recensie

Ricardo van Eyk brengt een ode aan de onbedoelde architectuur

Beeldende kunst Met kunstinstallaties van eenvoudig bouwmateriaal vol zaag-, verf- en slijpsporen brengt Ricardo van Eyk een ode aan de rafelranden van de stad.

Ricardo van Eyk, Pilot, 2019, installatie bij P////akt.
Ricardo van Eyk, Pilot, 2019, installatie bij P////akt. Foto Chun-Han Chiang / P////akt Amsterdam

Zou het al wel klaar zijn? Dat is de eerste vraag die zich opdringt bij het binnen lopen van Pilot, de ruimtevullende installatie van Ricardo van Eyk (1993) in de Amsterdamse kunstruimte P////akt. Overal ligt, staat en hangt bouwmateriaal: houten balken, een aluminium frame en kunststofplaten met fotoprint, waar het beschermende folie maar half van af is getrokken. In die materialen zijn allerlei zaag-, verf- en slijpsporen te zien. Een toepassing of zelfs maar concrete vorm ontbreekt. Het lijkt allemaal nog behoorlijk in ontwikkeling.

Maar het werk bij P////akt is net zo voltooid als het werk dat Van Eyk eerder als genomineerde voor de Koninklijke Prijs voor Vrije Schilderkunst presenteerde in het Paleis op de Dam, of de installatie die hij liet zien bij kunstopleiding De Ateliers in Amsterdam. De metersgrote platen die Van Eyk daar toonde waren ook op allerlei manieren bewerkt met zaag, lijm, verf en slijptol. Je kunt in die verf- en zaagsporen stadsplattegronden zien, of ze beschouwen als uitgezaagde stukken muur van een rauwe plek in de stad. Je kunt er ook helemaal niets in zien. De beste werken van Van Eyk zijn net zo ongrijpbaar en overweldigend als de abstract-expressionistische doeken van Mark Rothko en Willem de Kooning.

Dat de solopresentatie nu bij P////akt is, gelegen op een bedrijventerrein in een verlaten hoek van Amsterdam, is passend. Van Eyk heeft een fascinatie voor de rafelranden van de stad, de gebieden waar gewerkt of gebouwd wordt, of die juist in verval zijn. Omgevingen kortom, die in beweging zijn. Pilot is een ode aan de onbedoelde architectuur die hij daar aantreft. Een deel van de buitenwanden is bijvoorbeeld half opengewerkt (of juist nog niet helemaal dichtgetimmerd). Je zou het tussenarchitectuur kunnen noemen: vormen die niemand als doel zal beschouwen, maar die, voor zo lang het duurt, wel de dagelijkse omgeving vormen.

Door juist tussenvormen als eindproduct te presenteren maakt Van Eyk jede toeschouwer gevoelig voor de verandering waar álle materialen aan onderhevig zijn. De eeuwige cyclus van opbouwen, afslijten en weer opbouwen. Een geëngageerde boodschap ontbreekt (het woord ‘gentrificatie’ valt nergens), daardoor kan het bij Van Eyk zuiver om de ervaring gaan. In twee houten frames zijn met een slijptol de koppen van de spijkers die er in zitten afgezaagd. De donkere brandsporen bleven achter in het blanke hout. Het zijn minuscule, maar daverende details.

    • Thomas van Huut