Recensie

Recensie

In Nubië waren de piramides spitser

Tentoonstelling In het Drents Museum blijkt dat Nubië naast een Egyptische kolonie vooral ook een grootmacht was.

Nubische kristallen hanger met hoofd van godin Hathor, 743-712 v.Chr.
Nubische kristallen hanger met hoofd van godin Hathor, 743-712 v.Chr. Foto Museum of Fine Arts, Boston

De Amerikaanse egyptoloog George Reisner was er begin twintigste eeuw duidelijk over: Nubië was een minderwaardige en soms opstandige kolonie van het superieure Egypte van de farao’s. Reisner (1876-1942) kwam tot die conclusie nadat hij in het gebied dat zich uitstrekte van Aswan in het zuiden van Egypte tot aan Khartoum in het noorden van Soedan piramiden en tempels voor Egyptische goden had opgegraven.

De tentoonstelling Nubië – land van de Zwarte Farao’s in het Drents Museum in Assen presenteert een heel ander beeld: Nubië was een grootmacht met een rijke eigen cultuur. Ja, Nubië is tussen 1.500 en 1.100 voor Christus inderdaad een kolonie van Egypte geweest en dus waren er allerlei Egyptische invloeden, maar gedurende ruim 2800 jaar was het vaker een geduchte en machtige buur. Een korte periode zaten Nubische koningen zelfs ook op de troon van Egypte. Vandaar de tentoonstellingstitel.Ja, ze hadden ook piramiden, maar die waren kleiner en spitser dan die in Egypte. En eerder begroeven ze hun koningen in enorme grafheuvels. Ja, ze vereerden naast hun eigen goden ook Egyptische goden. Maar daar gaven ze hun eigen vorm aan, zoals een 5 centimeter groot hoogtepunt op de tentoonstelling getuigt: een amulet bestaande uit een bolletje bergkristal met erin gemonteerd een gouden buisje voor een toverspreuk op papyrus of bladgoud, en erbovenop het gouden hoofd van Hathor, de godin van de liefde.

De in Assen getoonde objecten, driehonderd in totaal, zijn afkomstig uit de collectie van het Museum for Fine Arts in Boston, dat de grootste Nubische collectie buiten Soedan bezit. Een gevolg van het feit dat Reisner, die voor het museum in Boston werkte, de helft van alles wat hij tussen 1907 en 1928 opgroef mocht houden. Sinds internationale opgravingen in de jaren zestig vanwege de aanleg van de Aswandam is het tot de academische wereld doorgedrongen dat Reisner er naast zat. Zijn oordeel was gevormd door zijn koloniale en egyptologische blik. In Assen wordt een ander en genuanceerder verhaal verteld. De nadruk ligt op de drie opeenvolgende hoofdsteden Kerma, Napata en Meroë. Rond 2500 voor Christus was Kerma van een kleine nederzetting bij de derde stroomversnelling van de Nijl uitgegroeid tot een machtig rijk dat handel dreef met Egypte en Centraal-Afrika en waar veel goud werd gewonnen. Bij de berg Gebel Barkal ontstond na 1100 voor Christus rond Napata een nieuw Nubisch rijk. In de achtste eeuw voor Christus profiteerden de Nubiërs van een bestuurscrisis in Egypte en namen beetje bij beetje het land in. Zestig jaar, tot de Assyriërs hen in 666 voor Christus verdreven, zaten de Nubiërs als zwarte koningen op de troon van een verenigd Egypte en Nubië. Uit die tijd stammen de piramiden bij Napata.

Terwijl Egypte vanaf de vierde eeuw voor Christus eerst onder Grieks en daarna onder Romeins bestuur kwam, ontwikkelde zich bij Meroë een nieuw Nubisch rijk dat tot rond 350 na Christus standhield. Het was machtig genoeg om diplomatieke betrekkingen te onderhouden met het Romeinse rijk, getuige een grote Romeinse bronzen lamp en schaal, die mogelijk relatiegeschenken waren van keizer Nero.

Helemaal voorbeeldig is de als piramidelandschap vormgegeven tentoonstelling niet. Esthetiek gaat soms voor praktische informatie. Er ontbreken bijvoorbeeld reconstructietekeningen van grafheuvels en tempels. Verder komen er veel koningsnamen langs zonder dat goed duidelijk wordt wie bijvoorbeeld Aspelta en Taharqa waren. Wie dat wil weten, moet het bijbehorende boek kopen. Toch is dat geen reden om niet naar Assen te gaan, want de getoonde voorwerpen zijn prachtig en maken duidelijk dat Noord-Afrika in de oudheid meer was dan alleen Egypte.