Foto Frank Ruiter

‘Ik camoufleer mijn geloof niet meer’

Lunchinterview Willemijn Dicke (48) veranderde in tien jaar tijd van fanatiek atheïst in een gelovige. Over haar zoektocht naar zingeving schreef ze een boek. „Ik was ontevreden met wie ik was.”

Na een zoektocht van een jaar of tien, is Willemijn Dicke (48) eindelijk uit de kast. Ze is een gelovige geworden. Of je het nou ‘Bron van Zijn’ noemt, of ‘iets’, of God waarin ze gelooft, dat is haar om het even. Dát ze gelooft, en dat ze dat hardop durft te zeggen, dat is hier het punt. Ze was namelijk altijd een overtuigd atheïst. Wars van religie, allergisch voor alles wat neigt naar spiritualiteit en afkerig van gezweef. Ze was (en is) een vrouw van de wetenschap, op haar 38ste universitair hoofddocent bestuurskunde in Delft, en binnenkort begint ze als lobbyist voor de vereniging van universiteiten (VSNU) in Brussel en Den Haag. Ratio, feiten, kennis, dat waren ooit de bakens in haar „onttoverde” wereld. Maar die heeft ze dus vervangen door begrippen als ‘liefde’, ‘licht’ en ‘genade’. Wat is er met haar gebeurd?

We zitten in een tot restaurant omgebouwd tropisch zwembad in Rotterdam, ze woont – met man en kinderen van 14 en 16 – al twintig jaar ‘op Zuid’. Vrij snel na het bestellen van een gemberthee, vertelt ze dat ze al een jaar geen alcohol meer drinkt. Terwijl ze dat héél goed kon, drinken. Dat las ik in De sjamaan en ik, het boek dat ze schreef over haar zoeken naar zingeving. Ze schrijft over drinkavonden met vrienden, en met de vaste klanten in buurtkroegen in Rotterdam, over wie ze schreef in haar column in het Rotterdams Dagblad. „Ik ben behoorlijk belast.” Haar moeder, die wist wat feesten was. Sherry, sigaretten, de huiskamer afgeladen vol met vrienden. „En toen zij stierf, op haar 56ste, hadden mijn vader, broer en ik de beste avonden als we samen ongelooflijk veel en hard dronken.”

Dat ze nu niet meer drinkt, heeft niet zoveel met God te maken. „Alcohol heeft me veel gebracht. Vriendschappen, gezelligheid en buitenlandse congressen met collega’s zouden heel anders verlopen zijn zonder.” Ze wilde kijken of ze ook zonder kon. Ja, dus. Feit is wel dat ze de drinkmaatjes van weleer nog meer van zich heeft vervreemd. De afstand die er bij sommigen toch al was door haar reli-zoektocht, werd onoverbrugbaar. „Ik heb onderweg mensen verloren. Dat is verdrietig. Heel jammer. Maar ik begrijp het ook.” Ze strijkt de kruimels van het houten tafelblad en zegt: „Ik zou ook gek worden als iemand met stenen praat, over shakra’s wauwelt en bij een priester in de leer gaat. Echt niet te doen.”

Maar, dat was toch precies wat ze de afgelopen tien jaar deed? Als een spirituele Bridget Jones houdt ze in haar boek bij wat haar sessies bij een zenboeddhist, een healing door een sjamaan en meditatiecursussen haar de afgelopen tien jaar kostten. Qua euro’s én tijd. Weekenden bracht ze door bij weer een nieuwe goeroe van wie ze hoopt dat die haar het licht kan laten zien. Maar wat leverde het op? Als je haar vraagt of ze het licht gezien heeft, dan is het antwoord: ja, dat heeft ze. Alleen zag ze het zonder tussenkomst van wie dan ook. Het gebeurde alweer tien jaar geleden tijdens een fietstocht met haar kinderen door een strookje bos aan de rand van Rotterdam. Van het ene op het andere moment voelde ze zich „vloeibaar”. Opgetild, verbonden, licht, lucide, of hoe je het ook noemen moet.

Los verbindinkje

Ik heb me voorgenomen om alle zogenaamd kritische vragen over wat haar tijdens die fietstocht overkwam, achterwege te laten. Want sceptisch is ze zelf wel, en ze heeft heus alle rationele verklaringen ervoor al bedacht. Even een los verbindinkje in de hersenen. Een stroboscopisch effect door de waaiende boombladeren. Een hallucinatie voortkomend uit vermoeidheid – haar kinderen waren toen nog klein. Ze verzweeg destijds haar „overweldigende ervaring” zelfs voor haar beste vrienden, minsten zulke reli-bashers als zij toen was. Dágen, weken teerde ze op wat ze leerde begrijpen als een „eenheidservaring”, waarna de euforie daarover omsloeg in diepe somberheid.

Er sluimerde al langer iets, zegt ze. „Ik was ontevreden met mezelf, met mijn leven.” Was daar dan reden toe? „Niet echt. Mijn huwelijk was niet slecht, mijn kinderen waren gezond, ik was op weg hoogleraar te worden.” Ze was bijna in het walhalla zoals ze zich dat van kleins af aan al voorstelde. „Ik had een vastomlijnd idee van hoe mijn leven eruit moest zien. Welke diploma’s daarbij hoorden, welk huis, wat voor vrienden.” Maar? „Ik had blij moeten zijn, maar ik was het niet.” Haar baan vond ze niet zo relevant meer als daarvoor. „Ik had maanden aan een artikel gewerkt, over de borging van publieke waarden bij infrastructurele ingrepen. Het werd gepubliceerd in een van de beste journals in mijn vakgebied. Trots dat ik was. Maar de respons was nul. Eén mailtje. Van iemand die vroeg ik soms familie was van de tekenaar Otto Dicke.” Zoek een andere baan, zou je zeggen. Dat deed ze. Ze stapte over naar de WRR, in de hoop dat zij daar, met haar specialisatie in bestuurskunde, meer zou kunnen betekenen voor de maatschappij. Het hielp maar heel even. Thuis maakten haar kinderen ruzie, en daar kreeg zij dan weer ruzie over met haar man. „De dofste periode is zo van nul tot zes, dat weten alle jonge ouders. Maar ik was de tijd echt aan het uitzitten. Mijn kinderen zaten met mij opgescheept, vond ik. Ze verdienden een betere moeder.”

Lees ook: Journalist Yvonne Zonderop signaleert een comeback van het christendom

Met een andere baan, drank, of antidepressiva viel het „existentiële gat” niet te dempen, zegt ze. Ze moest op zoek naar iets anders dat haar bestaan zin kon geven. Ze hoopte aanvankelijk op een quick fix. „Ik ben ervan overtuigd dat gedachten leiden tot emoties. Als je je gedachten in de hand hebt, veranderen je emoties.” Met zenmeditatie – een soort „hersengym” – zou ze haar „mentale hygiëne” wel op orde krijgen. Toen dat onvoldoende bleek, zocht ze naar zelfverbetering bij poldersjamanen, chanellers en hallucinerend cactuspoeder uit Mexico. Van elk van „de duizend goeroes” die ze bezocht, leerde ze wel iets. Dat haar verveling, bijvoorbeeld, niks anders was dan angst. Doodsangst. „Je wilt alles uit het leven halen en wordt voortgejaagd door de deadline die in zicht is.”

Ze las de geschriften van middeleeuwse mystici: Meister Eckhart, Hildegard van Bingen en Hadewych, en in hun visioenen herkent ze iets van haar eigen sensatie tijdens die fietstocht bij Rotterdam. Ze ging in de leer bij pater Tycho, een Rotterdamse priester, katholiek dus, net als haar overleden moeder was. „Ik vond het een pre dat hij een lange traditie vertegenwoordigt. Hij is expert in de Rijnlandse mystiek. Over die leer zijn boeken vol geschreven, dat voelt heel solide.” Vier jaar lang spraken ze elkaar maandelijks. Inmiddels vindt de pater dat zij hém ook wat te leren heeft, dus nu zit ze bij zijn intervisie-groep, waar ook een psychiater bij zit, een zenlerares, een lekendominicaan.

Religieuze gevoelens

Ze kan goed uitleggen waarom ze een boek geschreven heeft over haar „queeste” naar zingeving. „Ik wil congruent zijn. Wat ik zeg en doe moet samenvallen met hoe ik me vanbinnen voel.” Ze durft ook rustig zinnen te schrijven als: „De wind zegt voluit en zonder voorbehoud ja tegen mij.” Ze lacht. „Ik camoufleer mijn geloof niet meer. Ik heb mijn verdediging laten vallen.” Haar religieuze gevoelens waren lang „te gevoelig om belachelijk te maken”. Bij haar thuis wordt ze „met de nodige scepsis” bejegend, zegt ze, en zelf kan ze er soms ook een beetje om lachen. „Het is minder beladen, minder precair.”

Rotvraag misschien, maar wat gelooft ze dan nu precies? Ze prikt in haar salade met pompoen en denkt. „Het makkelijke antwoord is dat ik in liefde geloof.” Liefde kun je ook vervangen door God, maar ze snapt dat mensen dat moeilijk vinden. Vond zij ook. „Van alleen het woord god gingen mijn haren al recht overeind staan, en bidden vond ik kinderachtig. Alsof je een verlanglijstje opleest.” Hoe je het ook noemt, zegt ze, bij alle leermeesters draait het om die ‘liefde’. „Waar ik diep in geloof is dat elk menselijk handelen een uiting is van liefde, of een roep om liefde.” Zo staat het in het evangelie van Thomas, een niet-Bijbels geschrift over Jezus. Ze is niet verbonden aan één kerk of één leermeester. Maar als ze dan toch iets moet noemen, dan voelt ze zich het meest thuis in de Rijnlandse mystiek „Het leert je niet op instituties te vertrouwen, maar op je eigen meesterschap.”

Dat ze nu gelovige is, betekent niet dat ze voor altijd is ‘gefixt’, zegt ze. „Maar ik ben een liefdevollere moeder, een geduldiger mens.” Ze was eind vorig jaar nog bij een Ayurvedisch arts en die voelde haar pols en haar hals. „Ik was de eerste patiënt dat jaar, zei hij, die géén stress had.” Nee, zegt ze, met zoeken is ze niet gestopt. „Het is alleen veel stabieler geworden. Gerichter. Ik ben goeroemoe.” Er zijn dagen dat ze een „diep godsvertrouwen” heeft, en soms speelt haar „droef gemoed” weer op. „Pater Tycho zegt dan: je bent je weg begonnen op sandalen, nu draag je stevige laarzen. Mijn geloof raak ik echt niet zomaar kwijt.”

    • Rinskje Koelewijn