Ff appen, tvalt mee voor spelling

Taalvaardigheid Jongeren weten dat schrijfgewoontes op sociale media anders zijn dan in het Standaardnederlands, en beheersen beide stijlen.

Een voorbeeld van socialemediataal uit het promotieonderzoek van Lieke Verheijen.
Een voorbeeld van socialemediataal uit het promotieonderzoek van Lieke Verheijen. Illustratie Studio NRC

‘Het wort steeds gekker’. ‘Niemand kan tegenwoordig noch Nederlands’.

Wanneer jongeren op Whatsapp, Facebook of Twitter zulke zinnen schrijven, hoe groot is dan de kans dat ze in een opstel op school ook zo spellen? Lieke Verheijen promoveert vrijdag aan de Radboud Universiteit op onderzoek waaruit blijkt dat dat wel meevalt. Jongeren en jongvolwassenen weten over het algemeen heel goed dat de schrijf- en spellingsgewoontes op sociale media heel anders zijn dan die in het Standaardnederlands (ABN). Het zijn twee verschillende schrijfstijlen, die ze meestal beide redelijk goed beheersen. Het is zelfs zo: jongeren die heel avontuurlijk en, zo je wilt, creatief spellen en schrijven op sociale media, hebben op school, bijvoorbeeld bij het schrijven van een opstel, ook weinig moeite om zich uit te drukken in ABN. Omgekeerd is het ook zo dat jongeren die zich op sociale media erg passief gedragen (veel berichtjes lezen, weinig schrijven), vaak minder goed zijn in het schrijven van ABN-teksten.

Aan de bewust onconventionele spelling op smartphone en computer zijn de meeste Nederlanders inmiddels wel gewend. Het begon ooit met ‘ff’ en ‘w8’. En nu ziet het er zo uit: ‘mwa tvalt mee hoor, tis altijd IETSJE minder snapje, maar keb strxxx ff wrongturn gdraaid, nouja tis gwoon goed omtkijke, je denkt niet van hmmm geen goede kwaliteit ofsow snapje, tis gwoon goed ma ligt natuurluk owk aan je film’. Ouders en leraren van jongeren die zo schrijven, zijn vaak bang dat dit een negatieve invloed heeft op de traditionele schrijfvaardigheid, waar kinderen op school in getraind worden. Die angst blijkt dus ongegrond.

Verheijen baseerde haar onderzoek op een taalkundige analyse van geschreven materiaal (zowel op sociale media als op school) van honderden Nederlandse middelbare scholieren en jongvolwassenen. Ze onderzocht ook waarom er op sociale media zo geschreven wordt. Vaak is het een manier om geschreven taal spreekachtiger te maken. Ook speelt snelheid van typen en communiceren een rol. In een klein deel van de gevallen is er louter sprake van speelsheid en creatief zijn met taal.

Leesvaardigheid is weer wat anders

De socialemediataal en het Standaardnederlands zijn dus twee schrijfstijlen, die de jongeren over het algemeen heel goed uit elkaar kunnen houden. Dat is niet zo opzienbarend. Nederlanders hebben in hun gesproken Nederlands ook altijd de beschikking over uiteenlopende registers: van informeel tot meer formeel, of van lokaal dialect tot landelijke standaardtaal. En bij tweetalige mensen is het vaak zo dat zij de ene taal vooral in informele situaties (vooral thuis) gebruiken, en de andere in meer formele contexten (buitenshuis). Het menselijk taalvermogen is erop gebouwd om met dat soort nuances om te gaan.

Betekent dit dat we ons voortaan geen zorgen hoeven maken over de traditionele taalvaardigheden van de jongere generatie die veel tijd besteedt aan appen en geappt worden? Nee. Want over de invloed van het socialemediagedrag op de leesvaardigheid (zoals de concentratie tijdens het lezen van langere teksten en boeken) is weinig bekend. Daar wordt wel over geschreven en gespeculeerd, maar empirische onderzoeksresultaten ontbreken nog.

Verheijen heeft in haar promotie-onderzoek jongeren en jongvolwassenen binnen één generatie met elkaar vergeleken. Over hoe de schrijfvaardigheid zich over een langere periode in het verleden ontwikkeld heeft, kan zij geen uitspraak doen. Het is dus niet bekend of de huidige generatie middelbare scholieren minder goed (of beter) ABN schrijft dan de generatie van bijvoorbeeld dertig jaar geleden.