Opinie

    • Mirjam de Winter

Ex-festivaltijger

Het is iedere editie weer hetzelfde gedoe met het filmfestival en mij. Achteraf voel ik me ongemakkelijk dat ik nauwelijks een film heb gezien of een feestje bezocht, zodat ik me telkens voorneem het volgend jaar ‘beter’ te doen. Ga ik wél tijdig vrije dagen plannen, films reserveren en op zoek naar een festivalmaatje. Al minstens vijftien jaar achter elkaar is het er veel te weinig van gekomen. Terwijl het toch zo lekker kan zijn om tien dagen lang op die warme festivalplaneet rond te lopen, ver weg van de kantoortuin en het brave, naar binnen gekeerde bestaantje thuis.

Het is het ultieme escapisme. Op het IFFR ben je wereldburger, cultuurkenner en al bíjna een van de deelnemende kunstenaars zelf – alleen maar door er vaak te zíjn. Kijk op het festival om je heen en je ziet dat zo’n beetje iedere pensionado, provinciaal, huisvrouw, studente en andere ‘filmgek’ zich dat aureool graag laat aanmeten. Op elk gezicht staat het geschreven: mijn leven is film. Ook ik blies mijn partijtje volop mee in dat ons-kent-ons-sfeertje, toen het moederschap en andere verplichtingen me nog niet in hun greep hadden. Vanuit mijn bioscoopstoel in de Cinerama, het oude LantarenVenster en later in de Pathé heb ik me over figuren, samenlevingen, relatieproblemen en filmgenres verbaasd waarvan ik tot dan toe niet eens wist dat ze bestonden.

Maar het ware festivalgevoel bestond voor mij – en tienduizenden andere gelegenheids-cinefielen – natuurlijk vooral uit het rondhangen in het Hilton, De Doelen, de Schouwburg, de bar van Hotel Central en al die andere locaties waar je na afloop van een voorstelling ‘met elkaar kon napraten’. Wie zich ook maar enigszins tot de incrowd mocht rekenen, had daarna als VIP dan nog toegang tot afterparty’s en kon er bovendien blind op varen dat er voor hem of haar ook een vrijkaartje klaarlag voor én de openingsfilm én het eindbal. Kwam je op de traditionele slotavond van het IFFR onverhoopt niet langs de bewaking in de Schouwburg, dan hoorde je er in Rotterdam dus een jaartje gewoon niet bij.

Op het IFFR ben je wereldburger, cultuurkenner en al bíjna een van de deelnemende kunstenaars zelf – alleen maar door er vaak te zíjn

De afgelopen dagen zag ik met gemengde gevoelens al aardig wat filmptips, partyverslagen en kijk-mij-eens-foto’s voorbij komen op social media. Enerzijds is het afgunst en onbegrip wat ik erbij voel, want ik heb geen idee hoe andere werkende ouders erin slagen om aan een lange kerstvakantie óók nog een reeks IFFR-snipperdagen te knopen. Anderzijds is het zelfmedelijden. Ik had als voormalig feestbeest met plezier nog een nachtje of zeven, acht kapotgeslagen in het een of andere festivalhol, maar ik realiseer me tegelijkertijd dat de Assepoester in mij haar langste tijd intussen wel gehad heeft. Tja, dat ‘leeftijdsding’ dat langzaam maar zeker tussen je oren kruipt – ik kan het steeds moeilijker negeren.

Mijn comeback op het IFFR zal er in 2020 vermoedelijk op uitdraaien dat ik er een middag voor inplan met een ‘gezelligheidsclubje’ van vriendinnen. Met, na de kostuumfilms die we zorgvuldig hebben uitgezocht, nog een gezamenlijke brunch in een passende ambiance voor wat oudere ex-festivaltijgers. Nu al betrap ik me op de gedachte dat ik er dan wel een keelsnoerend-sexy jurk bij aan wil trekken waarin ik eventueel ook naar het eindbal zou kunnen.

Mirjam de Winter (@mirjamdewinter) is freelance journalist en stadsgids in Rotterdam.

    • Mirjam de Winter