Recensie

Willem Wilmink bleef altijd een soort elfjarige jongen

Willem Wilmink In de kloeke en ontroerende biografie van Elsbeth Etty rijst het sprankelende portret op van een man die het leven lastig vond, veiligheid zocht, maar altijd een soort elfjarige jongen bleef.

Willem Wilmink (1936-2003) beleefde naar eigen zeggen zijn leven lang ‘een wonderlijk genoegen in het doen van nutteloze dingen’. Kathedralen bestuderen, rondelen maken, literatuur vertalen, Duvels drinken, mijmeren, vertellen, accordeon spelen en natuurlijk schrijven. Een enorme berg liedjes en gedichten, verhalen, uiteenzettingen, theaterteksten en libretto’s maakte hij. Zomaar voor de vuist weg of in opdracht. Het leverde klassiekers op zoals ‘Ben Ali Libi’, ‘Hilversum III’ en ‘Echtpaar in de trein’.

Schrijven kon Wilmink als de beste, soepel, snel, gevoelig en geestig, maar gewoon leven ging hem moeilijk af. Hij was weinig zelfredzaam en verhield zich moeizaam tot anderen, snel uit evenwicht als hij was, met woedeaanvallen, dwangneurosen en huilbuien. Klein leed, een wc die niet doortrok, een file onderweg, bracht hem danig uit evenwicht. Tot op hoge leeftijd kon hij zich niet goed afdrogen, geen lucifer afstrijken, niet goed een schaar hanteren. Gelukkig had hij een echtgenote. Zij maakte het mogelijk dat hij zoveel moois kon schrijven. Dat wordt duidelijk, zowel expliciet als tussen de vele regels door, in In de man zit nog een jongen, de langverwachte, kloeke biografie over Willem Wilmink door Elsbeth Etty.

Etty vragen als biograaf van Wilmink was een weinig voor de hand liggende keuze van uitgever Vic van de Reijt. Uit haar werk als recensent en columnist voor onder meer NRC, als bijzonder hoogleraar literaire kritiek en auteur van een bekroonde biografie over Henriette Roland Holst, sprak geen affiniteit met het werk van Wilmink, noch met het soort literatuur dat hij maakte, dikwijls primair bestemd voor kinderen. Zelf keek ze, zo schrijft ze in de inleiding, ook verbaasd op toen ze werd gevraagd: ‘Why me?

Wie was Ben Ali Libi uit het beroemde gedicht van Willem Wilmink? Lees ook: Een verdwenen goochelaar

Maar Etty blijkt een gelukkige greep te zijn. In de man zit nog een jongen is een veelzijdig boek dat Wilmink recht doet. Etty pakte haar onderzoek grondig aan. Ze beschrijft chronologisch het leven, en toont hoe Wilmink wat hem overkwam, gebruikte in zijn werk, daarbij vooral steeds teruggrijpend op zijn jeugd. Zelfs als dat werk een hertaling van een Middelnederlandse tekst was, of een liedje voor een hond in Sesamstraat. Meestal is Etty’s toon ferm en helder, hier en daar wordt het wel wat erg droogkloterig. Bijvoorbeeld als ze het poëtische slot van Wilminks lievelingsboek Kees de jongen samenvat: ‘de twaalfjarige Kees Bakels neemt [...] afscheid van zijn kindertijd omdat hij moet gaan werken.’ Of wanneer ze Wilminks Schriftelijke cursus dichten ‘kostelijke causerietjes’ noemt. Dat neemt niet weg dat ze hem overtuigend neerzet. Vooral in de tweede helft van het boek, tot de ontroerende laatste hoofdstukken aan toe, lééft hij voor de lezer.

Uiteenlopende stemmingen

Etty putte uit Wilminks privéarchief en interviewde meer dan tachtig intimi, familieleden, vrienden en collega’s. De grootste kracht van het boek ligt in haar kundig en handig gebruik van wat deze mensen haar vertelden. Ze voert die sprekend her en der op, in anekdotes, een terzijde hier, wat uitleg daar. Zo ontstaat een sprankelend portret. Dat de levensgeschiedenis desalniettemin soms wat eentonig is, valt haar niet aan te rekenen.

Willem Wilmink bij het tv-programma Tien Voor Taal in 1991. KIPPA

In zijn studententijd in Amsterdam wordt Wilmink keer op keer verliefd – en keer op keer afgewezen. Voor al die meisjes, ‘verre prinsessen’ zoals hij ze noemde, maakte hij gedichten. Een van hen was Hedy d’Ancona, die hij kende van het studentencabaret. ‘Het allereerste bewaarde gedicht [...] staat in zijn zelf gefabriceerde bundel Breekbaar uit januari 1958. Het heet “Hedy ging slapen”. Maar niet met hem’, schrijft Etty compact en geestig.

Zelf schreef Wilmink nadien ook vaak heel geestig over het geklooi van een jongen die een meisje wil versieren. De hoofdpersoon in de verhalenbundel Buurjongens (1977) overweegt een liefdesbrief zo te beginnen: ‘Gaarne zou ik voor je door het vuur willen gaan, want je krijgt al een beetje tietjes.’ In werkelijkheid haakte de student Wilmink meisjes, minder geestig, pootje en trachtte ze op bed te gooien. Omdat hij niet wist hoe het anders moest.

Uiteindelijk vond hij toch een vrouw, met wie hij in 1964 trouwde. Ze kregen twee zoontjes. Maar hij kleineerde zijn echtgenote en minachtte haar werk. Etty: ‘Hij vond dat ze [dat] maar beter kon opgeven om fulltime voor hem te gaan zorgen.’ Onder invloed van drank werd hij soms agressief, terwijl hij onder vrienden en in zijn werk juist zo lief, vrolijk en charmant was. Het liep uit op een scheiding.

Wilmink was een man van uiteenlopende stemmingen. Hij verviel van het ene in het andere uiterste. ‘’t Gaat net zo vlug als ’t betrekken en ophelderen van de hemel bij winderig weer’, zei hij er zelf eens over. In de biografie gebeurt het soms binnen twee bladzijden.

Wankel en eigengereid

Een aantal jaren na de scheiding wordt Wilmink weer eens verliefd, maar dit keer ‘voor het echie’, op Wobke, en zij op hem. Dat maakt hem gelukkig, maar hij stort evengoed weer in. Etty lijkt het hier en daar met een zucht te constateren: ‘De pendule bewoog weer naar hemelhoog juichend.’ Of vice versa.

Zo wankel als hij was, zo eigengereid was hij ook. Dat blijkt vooral uit het gedeelte over Wilmink en de universiteit. Eerst als student en vanaf eind jaren zestig als docent bij de faculteit Neerlandistiek moest Wilmink, anders dan anderen, weinig van vernieuwing hebben. Vanuit Enschede gekomen voelt hij zich een vreemde eend. Hij schreef er later over: ‘Ook had hij zijn accordeon hier niet,/ Want hij begreep dat intellectuelen/ Iets hogers doen dan op een trekzak spelen.’

Lees ook: Met Willem Wilmink onder de motorkap van de poëzie

Wilmink pleitte voor het voortzetten van traditie, voor vormvastheid. Hij hield van heldere, toegankelijke poëzie die tegelijkertijd raadselachtig is, zoals de gedichten van Hendrik de Vries, Lodeizen of Vasalis, en rekende ook kinderboeken en smartlappen tot de literatuur. Daarover doceerde hij, in plaats van over generatieve grammatica of de Frankfurter Schule. Vaak nam hij zijn accordeon mee naar het lokaal.

Wilmink leek ook op ander gebied niet erg in de tijd te passen. Etty: ‘De polarisatie in het politieke en culturele klimaat vroeg steeds nadrukkelijker om keuzes: tussen links en rechts, progressief en conservatief, voor of tegen Provo, voor of tegen de oorlog in Vietnam en zelfs voor of tegen Chomsky.’ Maar Wilmink wilde zich niet zo uitspreken. Doodmoe werd hij van alle inspraakavonden en vergaderingen met studenten en collega’s.

Hij raakte overspannen en vertrok op eigen initiatief met hangende pootjes bij de universiteit, maar was eerzuchtig genoeg om later alsnog per se te willen promoveren. Over zijn proefschrift ontstond gedoe, omdat het niet wetenschappelijk genoeg zou zijn, te intuïtief en te associatief was, en te veel vermengd raakte, zoals alles wat hij maakte, met zijn eigen autobiografie. Etty citeert zijn getergde promotor Kees Fens, die verzuchtte dat Wilmink juist wilde uitblinken waar hij het niet deed. En dat terwijl hij het elders wél met verve, als vanzelf en allang deed, zoals in Het Schrijverscollectief, een groep die teksten maakte voor de jeugdtelevisie (De Stratemakeropzeeshow, J.J. de Bom). Etty toont hoe hij zijn beste werk in opdracht maakte, bij een hem opgedragen thema. Zijn liedjes waren altijd in één keer goed.

Onder moeders rok

Waarom had Wilmink zoveel geldingsdrang? Een terugkerend idee in de biografie is dat Wilmink nooit echt volwassen zou zijn geworden, maar ‘altijd elf’ was gebleven – zoals hij zelf zei. Die gedachte is niet vreemd voor wie hem om het minste of geringste ‘stampvoetend en schreeuwend’ rond de tafel zag rennen.

Vermoedelijk was het niet zozeer blinde ambitie die hem voortdreef, maar zocht hij veiligheid, inderdaad enigszins als een kind onder moeders rok. Beroemd zijn biedt een vorm van beschutting: je staat niet bloot aan kritiek, de rollen liggen vast, men luistert. Zo formuleert Etty het niet direct, maar wel staat keer op keer vermeld hoe senang Wilmink zat te oreren, als hij zich geliefd wist. Een terugkerend thema in zijn werk is de angst ‘er niet bij te horen’, ‘niet mee te mogen doen’. Hij voelde zich snel afgewezen.

Al met al rijst uit de biografie het beeld op van iemand die niet goed wist hoe het werkte, hoe ‘meedoen’ precies moest. Van jongsaf werd hem kwalijk genomen dat hij niet bedankte voor cadeaus, iets lekkers niet deelde, weinig oog had voor andermans noden – al spreekt uit zijn werk nog zoveel empathie. Hij luisterde niet, maar rebbelde monomaan door over zijn stokpaardjes. Hij provoceerde per ongeluk. Hij vond het binnen, bij zijn vrouw, en in zijn hoofd, prettiger dan buiten.

Had Wilmink een stoornis in het autistisch spectrum? Etty suggereert dit aan het begin van het boek, zij het met grote omzichtigheid. Zijn levensangst en het beruchte levenslange ‘korte lontje’ kunnen naar haar idee evengoed, of ook, samenhangen met opgroeien tijdens de oorlog. Als kind maakte hij het bombardement op Enschede mee.

Downsyndroom

‘Naar geruststelling is hij zijn leven lang blijven verlangen en het is ook wat hij aan anderen, vooral kinderen, heeft gegeven’, schrijft Etty. Wilmink besefte daarbij dat het paradijselijke jeugdland waar hij, met veel gevoel voor humor, in zijn werk op teruggreep, een constructie was: ‘Misschien maak ik wel nieuwe jeugdherinneringen om alsnog de jeugd te krijgen die ik gehad had willen hebben.’

Lees ook: De 109 beste boeken van 2018 volgens onze recensenten

Wilmink verlangde naar veiligheid en voorspelbaarheid, waarbinnen hij kon functioneren. Die vond hij bij zijn echtgenote Wobke, die hem koesterde en uit de wind hield. Zij beheerde de agenda. Hij dichtte er prachtig over: ‘Zo is de huwelijkse staat/ de vrouw ziet wat gebeuren gaat/ terwijl de man die naast haar leeft/ slechts merkt wat zijn beslag al heeft.’ Hij kon dankzij haar naar hartenlust terugblikken en fabuleren. Ze werd door sommigen als een kenau beschouwd, omdat ze hem weg zou houden van bijeenkomsten. Dat dat op zijn verzoek was, werd niet altijd begrepen. Etty zet dit nu recht.

Ten slotte is het fijn en terecht dat Wilminks zoons in de biografie ‘Frekie’, misschien wel het allerberoemdste gedicht van hun vader, afserveren als een draak. Het is de enige draak die Wilmink heeft gemaakt, over een jongen met het syndroom van Down die mee voetbalt, maar die naar Etty’s idee wellicht zijn eigen diepste wens vertolkte: meedoen met de anderen, al was je anders.

    • Judith Eiselin