De kroeg bellen

schildert met demente ouderen. Ze schrijft columns op basis van haar ervaringen. Deel 3: ‘Ze merken niet dat ik weg ben.’

‘Heeft u het niet koud hier?” Het is bewolkt en winderig weer als ik na een middagje vol verf, thee en nostalgie het verzorgingstehuis uit wil lopen. Op een bankje in de hal bij de deur zit een man op sloffen met een wandelstok in z’n hand naar buiten te kijken. Hij heeft een aanwezige krulsnor. Als ik me al tastend in m’n jaszakken realiseer dat ik weer m’n handschoenen thuis heb laten liggen, schuift de man naar het uiterste eind van het bankje. Hij gebaart naar de lege plek naast hem. „Welnee, meisje. Dat valt reuze mee. Bovendien ga ik weg. Die tram zal zo wel komen.” Hij wijst met z’n wandelstok naar buiten. Ik ga in op de onuitgesproken uitnodiging en neem plaats. „Waar gaat u heen, meneer?” „Zeg maar jij hoor.” Hij tuurt nog steeds naar buiten. „Waar ga je heen, meneer?” „Noem me maar Piet.” „Waar ga je heen, Piet?”, vervolg ik. „Ik moet m’n maten in de kroeg laten weten dat ik hier zit. Ze hebben geen idee. Ze zullen ongerust zijn.”

Even weet ik niet zo goed wat ik moet zeggen en staar een aantal seconden door de glazen schuifdeuren naar een eikenboom aan de overkant van de straat. Een blad maakt zich los van de boom en eindigt een paar meter verderop in het gras. „Kun je ze niet bellen?” Piet kijkt bedenkelijk. „Ik heb het nummer niet. Ik ben trouwens zo weer terug. Ze zullen niet eens merken dat ik weg ben geweest.” Hij lijkt vastbesloten. „Wat is de naam van de kroeg? Ik zou het nummer kunnen opzoeken.” Piets gezicht klaart op. „Ach meisje, dat zou ik wel heel aardig vinden hoor.” Met de kroegnaam vind ik op mijn mobieltje een telefoonnummer van een kroeg in het centrum. Ik overhandig Piet het toestel. „Volgens mij werkt dit nummer niet.” Hij geeft me het mobieltje terug. Als ik het tegen m’n oor hou blijkt het nummer inderdaad buiten gebruik. Net als ik me weer wil wenden tot de eikenboom zie ik een tatoeage van een stuurwiel op Piets onderarm. „Mooie tattoo! Heb je op zee geleefd?” „Jazeker! Ik ben vijftig jaar visser geweest. Door heel Europa. Daarna liet m’n gezondheid het helaas niet meer toe.” De eikenboom laat twee bladeren los. „Mooiste tijd van m’n leven”, gaat Piet verder. „Wat stoer! Werd je dan niet zeeziek?” „Oh ja hoor. In het begin was het braken geslagen, maar ik raakte al snel gewend.”

Piet zet z’n wandelstok op de grond en staat op. „Zeg, het is hier toch een beetje koud. Ik ga weer naar boven.” Nog voor ik kan antwoorden, loopt hij weg. Ik sta op en tast nog een keer in m’n zakken. Geen handschoenen. „Nog bedankt dat ik mocht bellen hè!” Piet heeft zich in de lobby omgedraaid en zwaait. Ik zwaai terug. Met m’n handen in m’n zakken loop ik het verzorgingstehuis uit. Even overweeg ik bij de kroeg van Piet langs te gaan.

Om de privacy van betrokkenen te respecteren, zijn herkenbare details aangepast.