Taalgebruik wordt steeds simpeler! Of niet?

Ewoud Sanders

Woordhoek

De zeven zussen, het best verkochte boek van 2018, werd in NRC vorige week getypeerd als „een soort Bouquet-reeks voor gevorderden, gepresenteerd als literatuur”. Ter onderbouwing werd een zin aangehaald waarin de ik-figuur beschrijft wat zij doet nadat ze heeft gehoord dat haar vader is overleden. „Ik hing op en voordat de onweerswolken in mijn hart zich zouden ontladen en me konden overspoelen, ging ik naar boven om mijn reispapieren te pakken en de luchtvaartmaatschappij te bellen.”

Literatuurrecensenten klagen al jaren over de literaire vervlakking van hedendaagse romanschrijvers. Zij zouden, al dan niet aangestuurd door uitgevers, te veel korte zinnen produceren met te veel eenvoudige woorden voor te ongecompliceerde verhalen.

De vraag is: hebben zij gelijk? Zijn Nederlandse romans de afgelopen decennia inderdaad eenvoudiger geworden?

Vier wetenschappers van de Universiteit Utrecht hebben dat nu voor het eerst onderzocht. Zij publiceerden hun bevindingen onlangs in het Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde.

Met behulp van tekstanalysesoftware onderzochten zij zestig romans, gelijk verdeeld over drie periodes: 1955-1964, 1980-1989 en 2005-2014. Ze selecteerden werk van in hun tijd ‘nieuwe’ Nederlandse auteurs, zowel ‘hoge’ als lagere literaire goden. Uit elke roman zijn vijftien fragmenten van minimaal tweehonderd woorden gekozen. Het gaat om passages met ‘vertellerstekst’ aangezien die beter met elkaar te vergelijken zijn dan bijvoorbeeld dialogen of monologen.

De onderzoeksvraag was: kun je uit dit corpus, dat in totaal zo’n 180.000 woorden bevat, opmaken dat romanteksten tussen 1955 en 2014 stilistisch steeds eenvoudiger zijn geworden? Er is gekeken naar: woordbekendheid, abstractie van de gebruikte concepten, de hoeveelheid informatie per naamwoordgroep, bijvoeglijke bepalingen, zinslengte en het aantal persoonsverwijzingen.

Hun conclusie: het taalgebruik is niet versimpeld.

Ter vergelijking legden de wetenschappers nog een bestand aan met tweehonderd berichten uit De Telegraaf en NRC uit de jaren 1950-1955 en 2002-2005. Kranten zijn in die periode wel eenvoudiger gaan schrijven, maar stilistisch waren en zijn ze ingewikkelder dan romans, zo blijkt.

„Dat recensenten en cultuurcritici klagen over de stilistische armoede van de Nederlandse literatuur”, schrijven de onderzoekers, „heeft misschien meer te maken met ergernis over een vernauwende thematische horizon in de Nederlandse literatuur dan met een versimpeling van het taalgebruik.”

Ze noemen hun onderzoek en methodiek „veelbelovend”. Daar ben ik het roerend mee eens. Wel vind ik de gebruikte corpora erg klein: tweehonderd krantenstukjes en tekstfragmenten uit drie keer twintig romans. Zelf maak ik, om beweringen in deze rubriek te kunnen onderbouwen, onder meer gebruik van een corpus in eigen beheer met ruim 12.000 gedigitaliseerde Nederlandstalige romans van na 1950.

Daarin is bijvoorbeeld na te zien dat figuurlijke onweerswolken beduidend vaker opdoemen in streekromans dan in zogenoemde hogere literatuur. Niet dat ze in die laatste categorie geheel ontbreken. Zo heeft Bertus Aafjes het ergens over „een grote onweerswolk van een negerin”. Willem Elsschot schreef: „Haar vaders wrevel weerspiegelde zich in haar eigen wezentje als een onweerswolk in ’t water.” En van A.F.Th. van der Heijden is de zin: „Het onvoltooide orgasme hing als een onweerswolk in ons midden.”

schrijft elke week over taal. Twitter: @ewoudsanders