Het is tijd voor hiphopdans met de Franse slag

Choreografie Het dansfestival Cadance, dat vrijdag begint, ruimt een weekend in voor de Nederlandse hiphop. Die ligt nog altijd ver achter bij de Franse. Hoogste tijd om de kunst af te kijken.

La Rochelle werk van Kader Attou
La Rochelle werk van Kader Attou Foto Homard Payette

Kader Attou fluistert iets in het oor van zijn zoontje. „Welkom allemaal bij deze bijzondere voorstelling”, zegt het jochie hem na in de microfoon om daarna, weer ingefluisterd door pa, nog wat inleidende woorden uit te spreken bij de voorstelling Mind Ur Step.

Het lijkt een kleine illustratie van wat erna volgt. Want Attou (44), choreograaf en artistiek leider van de Franse hiphopdansgroep CIE Accrorap, ziet het doorgeven als zijn missie. Het doorgeven van zijn kennis en ervaring, zijn stijl en zijn repertoire. En dus keert in de voorstelling Mind Ur Step onder andere de scheefgezakte leunstoel terug uit The Roots, Attous succesvoorstelling uit 2013. Ditmaal niet gedanst door zijn eigen dansers, maar door elf hiphoppers annex aspirant-choreografen uit Nederland, België, Frankrijk en Duitsland.

Tijdens verschillende, met Europees geld gefinancierde residencies werkten zij het afgelopen jaar in Nederland en Duitsland aan de show. De laatste twee weken gebeurde dat in het Franse kustplaatsje La Rochelle. In de grote studio van de plaatselijke stadsschouwburg werd de laatste hand gelegd aan het drieluik, met choreografieën van Attou, zijn Franse collega (en ‘leerling’) Nabil Ouelhadj en Lloyd Marengo, die met zijn 46 jaar een oudgediende is in de Nederlandse hiphopdans.

Voor de première, afgelopen november in La Rochelle, golven de energie en positiviteit die dansende hiphoppers omringen door de zestien meter hoge zaal van Chapelle Le Fromentin. De oude kapel is tegenwoordig het sfeervolle huis van het Centre Chorégraphique National (CCN) La Rochelle, waarover Attou de artistieke leiding heeft.

„Wij maakten ons zorgen over de volgende generatie hiphopchoreografen in Nederland.” Voor de voorstelling begint, vertelt Jolanda Spoel van het Rotterdamse jeugdtheatergezelschap Maas Theater & Dans over de totstandkoming van Mind Ur Step. Ze somt wat namen op: Alida Dors, Shailesh Bahoran, Lloyd Marengo. „Maar wie zijn de nieuwe Alida, Lloyd en Shailesh? Hiphop is wel explosief gegroeid met groepjes her en der, maar het niveau blijft achter. Er zijn regelingen en subsidies, maar die waren tot voor kort erg beperkt. Je mocht bijvoorbeeld niet geschoold zijn. Dan wordt doorpakken wel erg lastig – blijft hiphop een trend, een beetje snacken, zonder substantiële artistieke ontwikkeling.”

Clichés overstijgen

Ze legt de vinger op de zere plek. Er is genoeg danstalent in Nederland, maar er is een tekort aan hiphopchoreografen met een theatraal instinct. Terwijl juist bij de experimenteler ingestelde hiphoppers een grote behoefte is aan dramaturgische concepten die het cliché overstijgen. Dat geldt zelfs voor een succesvol gezelschap als ISH, dat in Nederland regelmatig wordt opgezocht voor cross-overs en co-producties, onder andere door Het Nationale Ballet.

Lees ook: Noorderslag was een feest van de Nederlandse hiphopscene

Voor vernieuwing moest de blik dus naar buiten, concludeerden Spoel en Jade Schiff van Roots & Routes, de Rotterdamse organisatie voor urban talentontwikkeling. Dus keken ze naar Frankrijk. Daar wordt urban dance al sinds de jaren tachtig – de visionaire Jack Lang was cultuurminister – van rijkswege financieel ondersteund. De pioniers van Black, Blanc, Beur, Attous Accrorap en Compagnie Käfig van Mourad Merzouki wisselden toen al straat en parkeergarages in voor het schouwburgpodium.

In Frankrijk heeft de theatrale hiphop zich in een kleine vier decennia zo stevig kunnen nestelen tussen het establishment, met vaak artistiek hoogstaande voorstellingen die op internationale podia en prestigieuze festivals hoge ogen scoren. Tijdens het laatste Holland Festival bewees Kata van Anne Nguyen bijvoorbeeld overtuigend dat hiphop uitstekend samen kan gaan met een artistiek uitdagender concept.

Met dank aan Franse politiek

„Alsof wij nog met een oude telefoon van de PTT zaten, terwijl ze daar al met een iPhone belden”, beschrijft Marengo zijn kennismaking, twintig jaar geleden alweer, met de Franse theaterhiphop. „Vele malen theatraler.” Hij behoort tot het kleine clubje wegbereiders van de Nederhiphopdans die, soms met een kleine bijdrage uit een ‘participatiepotje’, maar meestal zonder middelen voorstellingen begonnen te maken. Wat dat betreft heeft de nieuwe generatie het makkelijker, denkt hij, al is een project als Mind Ur Step nog altijd hard nodig voor verdere ontwikkeling. De jonge generatie kan volgens hem nog veel van de Fransen leren: creatief denken, in grotere concepten, en doseren. „Dosering is zo belangrijk. Hiphop is rap en energiek, je bent gewend snel je punt te maken. Maar in het theater moet je ruimte laten voor fantasie, eigen interpretatie. Een voorstelling duurt al snel een uur. Dat is een enorme stap.”

“Je moet weten wat er al is. Dat gold voor Picasso, dat geldt ook voor ons”

Kader Attou, choreograaf

Attou beaamt dat, nadat hij na de voorstelling vele handen van het publiek heeft geschud: „Onze voortrekkerspositie is deels te danken aan de politiek.” De politiek bepaalt in Frankrijk namelijk wie een Centre Chorégraphique National leidt en twee van de negentien CCN’s worden al jaren door hiphopchoreografen geleid, Attou in La Rochelle, Merzouki in Créteil.

„Maar we zijn ook verrijkt door de Franse cultuur in het algemeen. Ik heb ontzettend veel geleerd door te kijken naar iemand als Maguy Marin. Haar voorstelling May B bijvoorbeeld, daar sloeg ik destijds stijl van achterover. Het zette me aan het denken. Wat is dans? Wanneer ben je expressief? Dansen zonder power moves, emotie geven, hoe werkt dat? Hoe ontwikkel je een signatuur? Dat werd mijn zoektocht: een nieuwe, eigen danstaal.”

Attous danstaal is vet, aldus danseres en beginnend choreograaf Lucinda Wessels (28). Zij is een van de vier Nederlandse uitverkorenen in de voorstelling. Een veelzijdig talent: vorig jaar werkte ze als danseres samen met de hedendaagse choreograaf Nicole Beutler, ze danste en choreografeerde regelmatig voor danstalentenshows op televisie en creëerde een multidisciplinaire expositie.

Esthetisch is het werk van Attou volwassen, bijna cinematisch, vindt Wessels. „Bij Kader en Nabil zie je dat ze in hedendaagse concepten durven te denken, gelaagd, met een mooie balans tussen freestyle en strak gechoreografeerde delen. Dat is een heel andere benadering dan in de underground scene en in battles.” Volgens haar werken de Fransen ook veel minder dan Nederlandse choreografen vanuit de dansers, maar meer vanuit hun eigen ideeën. „Dat haalt je als danser uit je comfort zone.” In de voorstelling danst Wessels een stuk choreografie van Attou waar ze aanvankelijk moeite mee had – te veel poppin’, niet haar stijl. „Maar wel su-per-fundamenteel. Toen ik het eenmaal onder de knie had, ontdekte ik iets waar ik zelf nooit op was gekomen. Daar groei je van.”

Minder nieuwsgierig

Met ruim dertig jaar ervaring beschouwt Attou het als zijn missie om de jonge generatie verder te helpen. Hij wil hun de instrumenten geven om een eigen handschrift te ontwikkelen. Een van de manieren om dat te bereiken, is repertoire aanleren, iets wat in de hiphopwereld een vrijwel onbekend fenomeen is. „Maar je moet weten wat er al is om verder te komen. Dat gold voor Picasso, en dat geldt net zo goed voor ons.”

Soms echter bekruipt hem het gevoel dat de nieuwe generatie makers minder nieuwsgierig is, juist doordat er zo ontzettend veel op internet en sociale media voorhanden is. „Je hoeft alleen maar achter je scherm te gaan zitten, en je reist de halve wereld over. Ik denk dat dat de fantasie remt. Dat kun je niemand verwijten. Maar het feit dat wij dertig jaar geleden veel minder hadden, heeft onze verbeeldingskracht wel gestimuleerd.”

Zijn belangrijkste boodschap aan de nieuwe generatie makers is dan ook de nieuwsgierigheid te koesteren, het onbekende op te zoeken en een kritische geest te ontwikkelen. „Pas als je kritisch kunt nadenken, kun je choreograaf worden. Je moet dus boeken lezen, naar musea gaan, andere voorstellingen bezoeken. Ook als je denkt dat het niets voor jou is.” Hij haalt een herinnering op aan een van zijn eerste ervaringen met hedendaagse dans. „Mon dieu, wat een straf vond ik het. Ik viel in slaap. Maar ik ging wel. En nu zit ik hier.”

    • Francine van der Wiel