Het gevecht om ‘De waarzegster’ van Jan Steen

Teruggave Roofkunst Nederland krijgt internationaal veel kritiek op het restitutiebeleid van roofkunst uit de oorlog. Albert Klein is een van de mensen die kunstwerken terugvroeg, er enkele ook terugkreeg, maar door aanscherping van de Nederlandse regels nu niets meer terugkrijgt.

Andreas Schelfhout, ‘Landschap met de ruïne van kasteel Brederode te Santpoort’
Andreas Schelfhout, ‘Landschap met de ruïne van kasteel Brederode te Santpoort’

‘Zullen we beginnen met de frustratie van de heer Klein?”, vraagt advocaat Gert-Jan van den Bergh, terwijl hij in zijn kantoor aan de Amsterdamse Herengracht wijst naar zijn 88-jarige cliënt, die achter een grote, vierkante tafel zit. Van den Bergh is al jaren bezig met de restitutie van tien schilderijen aan Albert Klein, die tijdens de oorlog van diens vader zijn gestolen of door zijn vader zijn verkocht. Twee keer diende hij een verzoek tot restitutie in: in 2003 en in 2006. De eerste keer had hij succes, de tweede keer niet. Bij de tweede claim zit onder meer een Jan Steen: ‘De waarzegster’, die momenteel in het Mauritshuis hangt.

Toen in 2012 het verzoek van Klein uit 2006 opnieuw was afgewezen, huilde hij, aldus zijn advocaat. Hij wilde het liefst naar het Mauritshuis rijden, het schilderij van de muur rukken en meenemen. Het maakte hem niets uit als hij daarna gearresteerd zou worden. „Ik ben er geweest, maar het schilderij hing er niet”, vertelt Klein, terwijl hij de foto’s van de verschillende kunstwerken van zijn vader tijdens het gesprek vele malen herschikt.

‘De waarzegster’ van Jan Steen, ooit gekocht door Marcus de Vries. Collectie Mauritshuis

Het verhaal van Klein typeert de internationale kritiek op het roofkunstbeleid in Nederland. Van de 74 landen die de Washington Principles in 1998 ondertekenden – waarin afspraken staan hoe onvrijwillig verloren kunstwerken teruggegeven kunnen worden aan nazaten – is Nederland het enige land waar het belang van de collectie in het museum meeweegt. En ook is er sinds 2005 een strenge scheiding tussen particuliere eigenaren en kunsthandelaren. Een grens die dubieus is, verklaarde Ronald Lauder, president van het World Jewish Congress, eind november 2018 bij een bijeenkomst om 20 jaar Washington Principles tegen het licht te houden: „In Nederland, dat ooit zeer verantwoord was en altijd de moreel juiste keuze maakte, zijn de zaken veranderd. Tegenwoordig is de redenering: als een schilderij is verkocht, dan is het niet gestolen. Maar veel eigenaars moesten wel verkopen om te overleven.”

Lees ook: Rechtszaak erfgenaam kunsthandelaar Katz tegen Nederlandse staat

Dat laatste argument telde bij de tweede claim tot restitutie ook mee in de ‘zaak-Klein’. Voordat de regels waren aangescherpt kreeg hij vier schilderijen terug. Bij zijn tweede claim benadrukt de commissie dat de vader van Klein, Marcus de Vries, een gelegenheidshandelaar is geweest. Dat hij handelaar was geweest, was genoeg reden om de claim te weigeren. Behalve de wil om de schilderijen van zijn vader terug te krijgen, lijkt ook de hang naar erkenning als zoon van De Vries mee te spelen.

Rieten manden

Albert Klein wordt in 1929 geboren als buitenechtelijk kind van Marcus Frederik de Vries (1897-1942). Zijn moeder, Antje Klein, was een dienstmeisje bij de familie De Vries. Hoewel hij niet officieel wordt erkend, stuurt zijn vader wel maandelijks geld. Klein groeit op bij zijn moeder, maar verblijft tot de oorlog tijdens vakanties bij zijn vader. „Opa Klein kreeg dat geld. Ik kreeg helemaal niks, als ik met vakanties bij mijn vader in Amsterdam kwam, kreeg ik nieuwe kleren. Opa Klein kocht van het geld dat hij voor mijn onderhoud kreeg een pand voor een winkeltje, een winkel in rieten manden.”

Marcus Frederik de Vries was een vermogend man. Dat was hij vooral dankzij zijn vader, die een hoge ambtenaar was geweest bij het ministerie van Financiën. Voor de oorlog werkte Marcus de Vries als journalist voor De Tribune, maar is volgens andere documenten ook handelaar in graan. De verhalen dat hij handelde in kunst, zijn eenvoudig te weerleggen aldus Klein: „Mijn vader steunde financieel het verzet. Als mensen aan hem vroegen wat hij voor de kost deed, zei hij: ‘Ik verkoop schilderijen’. Dat was natuurlijk niet waar, maar hij kon moeilijk zeggen: ik zit in het verzet. Hij zei dat uit zelfbescherming.”

Ze geloofden er niks van: een boertje van buuten en vader met zulke schilderijen?

De Vries had een grote collectie schilderijen, waarvan dat van Jan Steen het opvallendste is. Het kwam in 1941 in zijn bezit voor 40.000 gulden, dat Kunsthandel P. de Boer in een brief aan Klein in 2009 bevestigt. In datzelfde jaar zou het schilderij zijn gestolen, bevestigen nabestaanden van De Vries. Het is juli 1942 wanneer de 45-jarige De Vries zelf wordt gearresteerd, om op 15 juli te worden gedeporteerd naar vernietigingskamp Auschwitz waar hij drie dagen later wordt vermoord.

Klein is officieel geen erfgenaam, dat was de wettelijke echtgenote van De Vries. Dat huwelijk bleef echter kinderloos. Als ook de vrouw van De Vries overlijdt in 1980 laat ze alles na aan een arts in Zwitserland. Deze arts verklaart dat hij rechten op de zich in de rijkscollectie bevindende kunstwerken overdraagt aan Klein.

De zoektocht van Klein begon al in de jaren vijftig. Vanaf het begin af aan was het achterhalen en terugkrijgen van de schilderijen een moeizaam proces. Dat begon al in 1950 toen hij – inmiddels wonend in Amsterdam en werkzaam in het magazijn van de Bijenkorf – naar het Rijksmuseum wilde. „Daar werden gestolen schilderijen getoond. Ik wilde kijken of er schilderijen van mijn vader hingen, maar ik mocht niet naar binnen. Je moet een bewijs hebben dat je bevoegd bent de werken te zien, werd me gezegd. Op dat bewijs moest staan dat de schilderijen van mijn vader waren geweest, want ze geloofden er niks van dat zo’n boertje van buuten uit Friesland een vader had met zulke schilderijen, daar kwam het eigenlijk op neer.”

Na een paar jaar keert hij terug naar Friesland, trouwt er en bezoekt op een dag samen met zijn vrouw het Rijksmuseum Twenthe, waar een tentoonstelling is met roofkunst. „Ik zag meteen het ‘Winterlandschap’ van Koekkoek dat bij mijn vader altijd had gehangen. Ik zeg: ‘Dat schilderij is van mijn vader.’ ‘Dan moet u dat melden in Den Haag’, zeiden ze.”

Marcus Frederik de Vries (1897-1942). Foto Joods monument

Klein laat op 29 september 2003 een briefkaart aan de Restitutiecommissie zien, de Koekkoek staat er niet op. Wel vier andere schilderijen. Op de briefkaart met de datum 2 juli 1942 Westerbork, staat: ‘Beste Anne. Haal weg D. Willinkplein 3-2, Schelfhout, Zandweg boerenhuis met bos, Pieter G. van Os, Winter met herten, Jacob van Loo, Bloemstilleven, Abram Govaerts, Italiaanse Bergen, Anne voor 5/9-’29. Hartelijke groeten, Marcus.’

Hiermee wilde De Vries – die wist wat hem te wachten stond en ook al voor zijn eigen arrestatie zijn moeder die op transport was gesteld had geprobeerd vrij te kopen – een erfenis nalaten aan zijn zoon. 5/9-’29 verwijst naar de geboortedatum van Klein. Wanneer de moeder van Klein in Amsterdam aankomt, is het huis aan het Willinkplein echter al leeggeroofd.

De commissie erkent de authenticiteit van de briefkaart en Klein krijgt de werken terug. Het Italiaans berglandschap bij avond is in een „schandelijke staat”, aldus Klein, en was „een drol van een schilderij waar niets van over was. Ik heb een klacht ingediend, ze hebben het schilderij teruggehaald en de lijst helemaal opnieuw laten behandelen.” Een schilderij van B.C. Koekkoek blijft hangen in het Twents museum. „Toen ze dat vroegen vond ik dat prima, ik heb er het huis niet voor. Dus toen gingen mijn vrouw en ik daarheen om te tekenen voor de overdracht. Ik bekijk daar andere schilderijen, en kom in een zaal. Ik zeg: ‘Dat was het lievelingsschilderij van mijn vader!’”

Klein staat op dat moment oog in oog met J. Ekels’ Haarlemmersluis en de Haringpakkerstoren te Amsterdam. Klein heeft ondertussen een verhuisschriftje van zijn vader in handen gekregen waarin, naast de vier werken die genoemd werden op de briefkaart, nog twaalf werken worden vermeld. Ook is er nog een brief uit 1986 waarin Mietje Lemaire-de Vries, een zuster van De Vries, aan de historicus Madelon de Keizer schrijft over de gestolen werken. Een van de werken die ze noemt is die van Steen. De documenten bewijzen volgens Klein en zijn advocaat dat de werken particulier bezit waren en dat er enkele daadwerkelijk gestolen zijn.

Wraking

Van de twaalf werken is er in twee gevallen sprake van meerdere claimanten. Eentje is inmiddels toegewezen aan een andere claimant, van het andere is geen enkele claimant erkend als de rechtmatige eigenaar. De overige tien, waaronder de Steen, hangen in verschillende musea of worden bewaard in het depot in Rijswijk. Daarnaast zijn er twijfels bij zowel het verhuisschriftje als bij de brief van Mietje Lemaire-de Vries. Van het verhuisschriftje zou de datum waarop het is geschreven onduidelijk zijn; bij de brief wordt zelfs gesteld dat deze gefabriceerd zou zijn door Klein zelf.

„Onbegrijpelijk”, aldus Van den Bergh. „We hadden een ondersteunende verklaring van Madelon de Keizer. De restitutiecommissie nodigt haar vervolgens uit om erover te praten. Ons verzoek om bij dat gesprek aanwezig te zijn, wordt geweigerd. Uit een verslag van dat gesprek dat we later krijgen toegestuurd, blijkt dat ze haar verklaring heeft afgezwakt en eerdere opmerkingen terugtrekt. In een normale rechtsgang zou dat reden zijn voor een wraking. Bovendien: alsof je een brief uit 1986 gaat vervalsen!”

Al met al is het een frustrerende exercitie geworden, vindt behalve Klein ook Van den Bergh: „Je komt in een arbitraire situatie terecht waarin claimanten volstrekt niet meer weten waar ze aan toe zijn.”

In een eerdere versie stond dat Madelon de Keizer journalist was, dit is veranderd in historicus