Opinie

    • Joyce Roodnat

Grote ruzies, een groot schilderij

Joyce Roodnat Bij de vijftig Nederlandse ‘kernkunstwerken’ in de Fundatie in Zwolle zit één werk dat Joyce Roodnat om een speciale reden raakt.

Rob Scholte: Nostalgia (1988, 155×250 cm).
Rob Scholte: Nostalgia (1988, 155×250 cm). Foto Pictoright Amsterdam 2019

In de Fundatie in Zwolle hangen, staan en sidderen de vijftig Nederlandse „kernkunstwerken” vanaf 1968. Er is er een voor elk jaar, met Jan Dibbets als aftrap voor 1968 en tot besluit Navid Nuur, voor 2018. Hans den Hartog Jager koos ze uit. Hij kan dat, hij heeft gezag, hij weet alles. En toch wil ik hem tegenspreken.... waar is Ed van der Elsken? Sylvia B.? Auke de Vries? Maar dat vergeet ik, want deze tentoonstelling is een tuin der lusten zonder lasten. Niks valt tegen, elk werk is goed. En dan zál hij iemand overgeslagen hebben, wat dan nog. Het gaat er hier om hoe grandioos de Nederlandse hedendaagse kunst is. Laat de cynici maar kletsen, zingt deze expositie, de kunst is met Rembrandt, Vermeer en Van Gogh heus niet opgehouden. Wie dat denkt is blind.

Voor 1988 hangt er een schilderij van Rob Scholte. Ik wist al dat het erbij was, maar het raakt me harder dan verwacht. Het verbeeldt, anderhalve meter hoog, tweeënhalve meter breed, een krantenstuk van mijn vader. Bas Roodnat. We hadden grote ruzies. Toen hij nog leefde, miste ik hem al. Hij ging dood, ‘missen’ veranderde in ‘weg’. Maar daar is hij weer, via dit schilderij van zijn artikel waarin hij Rob Scholte beschuldigde van plagiaat.

Dat zat zo. Scholte ging in 1986 aan de haal met het doek ‘Olympia’ van Manet uit 1863: de naakte vrouw met de zwarte dienares en het poesje. Nou is dat vele malen vaker geparafraseerd, als blijk van seksisme, oriëntalisme, de male gaze, van alles. Scholtes variatie heet ‘Utopia’ en toont een naakte ledenpop. Reactie van mijn vader op 3 december 1987: namaak, want dat had de Britse kunstenaar Paul Spooner al gedaan.

Scholte reageerde met een koekje van eigen deeg: hij kwam met een schilderij waarop dat krantenstuk exact was nageschilderd. Met één verschil. In 1987 waren kranten nog in zwart-wit. Scholte gaf de afbeeldingen bij het artikel hun kleuren terug en daarmee werd het koekje een tik op de neus: de schilderkunst wint, die kan iets wat een krant niet kan.

In 1988 vierde het postmodernisme hoogtij, daarom koos Den Hartog Jager voor dit schilderij: „Het is meta, meta, meta”, zegt hij. Dat klopt. Het is het slotakkoord in een duizelingwekkende stapeling van herhaling en commentaar. Het begon met Titiaans ‘Venus van Urbino’, wat door Manet werd omgewerkt tot ‘Olympia’, wat Scholte herschilderde als ‘Utopia’, waarmee hij varieerde op Paul Spooners versie, wat mijn vader beschreef in een artikel, wat Scholte weer schilderde.

En nu wil ik ermee op de foto. Mijn vader en ik en Rob Scholtes doek. Het blijkt ‘Nostalgia’ te heten. Dankzij die titel vliegt het weg uit het meta-meta-meta-labyrint en wordt het van mij.

    • Joyce Roodnat