Opinie

Geldverkeer heeft nutsfunctie, maar een staatsbank gaat te ver

WRR-rapport

Commentaar

Het is een kleine, maar opmerkelijke passage uit Geld en schuld: de publieke rol van banken, het rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) dat donderdag uitkwam. Het vertrouwen dat mensen stellen in instituties is in Nederland vrijwel altijd groter naarmate hun opleidingsniveau hoger is. Maar niet waar het de bancaire sector betreft. Daar is het precies omgekeerd, zo mat het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) vorig jaar. Sterker nog: De Nederlandsche Bank peilde een jaar eerder dat economen minder vertrouwen hebben in de stabiliteit van het financiële systeem dan het Nederlandse publiek.

Kortom: hoe meer iemand verstand heeft van het geldstelsel, of denkt te hebben, hoe minder het wordt vertrouwd. Dat is verontrustend. De beloningen bij ING veroorzaakten vorig jaar, tien jaar na de crisis, opnieuw grote maatschappelijke verontwaardiging.

Sinds de Lehman-crisis van 2008 diepe gaten sloeg in de economie en overheidsfinanciën en de samenleving op haar grondvesten deed schudden, is de argwaan in het financiële systeem nog steeds groot. Terwijl datzelfde systeem een cruciaal deel uitmaakt van het weefsel van onze samenleving.

Sinds ‘Lehman’ is de honger naar kennis over de precieze werking van het financiële stelsel, over het wezen van geld en vooral geldschepping, fors toegenomen. Het burgerinitiatief Ons Geld, ontstaan uit een massaal bezochte en zeer kritische theatervoorstelling over het bankwezen, heeft via een politieke omweg nu geleid tot een WRR-rapport over het geldstelsel. Dat rapport staat overigens in de beste traditie van de raad: het is begrijpelijk, toegankelijk en uitputtend.

De adviezen die de WRR geeft, raken de kern: de fiscale bevoordeling van schuld boven eigen vermogen heeft mede geleid tot de schuldenberg die Nederland nu heeft, en die relatief tot de hoogste van de wereld behoort. Daar staat ook veel (pensioen)vermogen tegenover. Maar het maakt de economie gevoeliger voor vermogensschokken. Het fiscaal gelijktrekken van schuld en vermogen is een goede weg. Daarmee samen hangt een betere voorbereiding op toekomstige crises, waarbij een snellere en makkelijker afschrijving van schuld behulpzaam kan zijn – en een verplichte herkapitalisatie van banken.

Lastiger zijn de aanbevelingen van de WRR voor het bankwezen zelf. Het versterken van het publieke karakter van banken, met meer invloed van de burger, is sympathiek. Maar de bancaire sector is al behoorlijk ingesnoerd in nieuwe regels, wetten en vermogenseisen. De vraag is of een bank in wezen moet worden beschouwd als een nutsbedrijf, dat beter onder de vleugels van de overheid kan worden gebracht. Er zijn echter veel meer nutsfuncties, in de zin van gas, water, licht en internet, die geheel of grotendeels aan de markt worden overgelaten. Ondernemen onder goed toezicht lijkt een betere weg. Dat geldt ook ten aanzien van de ‘publieke bank’ die door de WRR wordt overwogen: een staatsbank waar burgers hun geld kwijt kunnen en hun betalingen verzorgen.

Er is veel te zeggen voor een noodinfrastructuur waar de samenleving bij een volgende, ergere, Lehman-crisis voor het betalingsverkeer op kan terugvallen. Maar het is de vraag of alledaags bankieren een lopende staatsfunctie moet zijn. De financiële sector staat niet stil, en veel risico’s lijken al verhuisd naar een schaduwsector van zogenoemde non-banken, waar regulering niet of minder geldt. Beleid zou beter kunnen anticiperen op de volgende crisis, in plaats van zich te veel te concentreren op de vorige.

In het Commentaar geeft NRC zijn mening over belangrijke nieuwsfeiten. De commentatoren schrijven deze artikelen in samenspraak met de hoofdredactie.