‘We concurreren met onszelf. Dat maakt dat je nooit klaar bent’

Paul Verhaeghe | klinisch psycholoog De ‘meetcultuur’ leidt tot onderwijs dat erop gericht is kinderen te laten slagen, stelt Paul Verhaeghe. Studenten en leerlingen ervaren stress. „Het nieuwe mensbeeld is dat van perfectie. Het is uitputtend. Van je eigen schaduw kun je niet winnen.”

De Vlaamse klinisch psycholoog Paul Verhaeghe kan ze nog allemaal opnoemen, de huiswerkuren op het internaat, waar hij eind jaren zestig een soort gymnasium volgde. Vierenhalf uur, naast de gewone lessen. ’s Ochtends van half acht tot kwart over acht, ’s middags van half twee tot kwart over twee. Dan van kwart voor vijf tot zes, van kwart over zes tot half acht en van negen tot half tien. „En iedereen vond dat normaal.”

Het was flink aanpoten. Je moest de beste zijn, net als nu. Maar een hoge prestatiedruk ervoeren hij en zijn klasgenoten niet. „Dat is voor mij onbegrijpelijk”, zegt hij op de psychologiefaculteit van de Universiteit Gent. „Wat maakt dat men nu zoveel stress ervaart?”

Wat hij ook niet begrijpt: dat het niveau van studenten gedaald is – ondanks al die stress. „Tot een paar jaar geleden hadden ze de basisboeken gelezen van Freud, van hedendaagse psychologen. Nu: nul. Geen tijd, zeggen ze. Terwijl ze er belangstelling voor hebben.”

Waar leidt u die niveaudaling uit af? Onderzoeken zijn niet eenduidig.

„Iedereen die op de onderwijsvloer staat, weet dat. Ik heb bijna geen student meer die nog correct Nederlands kan schrijven. Het redeneervermogen is minder, de parate kennis, de vaardigheden. Ik weet dat men op ministerieel niveau het tegendeel beweert, maar ik wil wel eens zien hoe die cijfers verzameld zijn. Kom bij mij kijken en je ziet het.”

Terwijl de toetsdruk hoog is.

„In Nederland nog hoger dan in Vlaanderen. Je krijgt onderwijs dat erop gericht is kinderen te laten slagen voor die toetsen. Teaching to the test. In de hedendaagse meetcultuur willen we alles systematisch ijken en met elkaar vergelijken; scholen bijvoorbeeld. Daar is niets mis mee, maar we kennen veel cijfers een belang toe dat ze niet hebben. Het is een illusie dat alles perfect meetbaar is. De context telt ook. We hebben de menswetenschappen naar het model van natuurwetenschap geplooid.”

Je moet scholen toch onderling kunnen vergelijken?

„Meten is bruikbaar, maar ga geen appels met koeien vergelijken. Scholen verschillen van elkaar. Men heeft veel te weinig vertrouwen in leerkrachten. Geef ze dat vertrouwen terug.

„Laat ik een voorbeeld geven uit mijn praktijk. Ik werk veel met patiënten met hele zware problematiek, omdat ik daar het meest van kan leren. Ik heb zo vaak gehoord dat ze in hun jeugd geholpen zijn doordat ze een leraar ontmoetten die in ze geloofde, die hen eruit trok. Het klinkt als een feelgoodfilm, maar het is echt zo.”

Hoe kan het dat u als leerling en student minder stress had, terwijl u harder werkte?

„Een van de verschillen is denk ik dat de samenleving nu veel meer geïndividualiseerd is. En sneller: met de smartphone kleeft het internet aan ons lichaam. Of de druk hoger is, dat weet ik niet – hij heeft in elk geval meer negatieve effecten. Er zijn steeds meer kinderen met stoornissen. Die worden verpakt in allerlei labels, waar je psychodiagnostisch veel kritiek op kunt geven. Ik heb veel twijfel over die labels. Toch heb ik er geen twijfel over dat kinderen meer problemen hebben dan vroeger. De labels zijn niet het juiste antwoord daarop”

Komt dat door prestatiedruk?

„De tussenliggende verklaring is stress. Als je iemand langdurig in een situatie brengt waarin hij zich onveilig voelt, verhoogt dat het stressniveau en dat heeft verschillende uitwerkingen: van depressie en angst tot diabetes en auto-immuunaandoeningen. Het lastige is dat die verbanden zo divers zijn. Vroeger was het duidelijk: een mijnwerker die veertig jaar in een kolenmijn werkte, kreeg een stoflong. Ik vermoed dat het aantal stress-gerelateerde ziektes waardoor mensen langdurig thuiszitten veel groter is dan burn-out en depressie samen.”

De dwang tot prestatie, succes en geluk leidt tot desoriëntatie, analyseerde Verhaeghe in zijn boek Identiteit (2012). Dat ziet hij terug in de persoonlijke problemen en stoornissen in zijn spreekkamer. In de neoliberale samenleving ligt de nadruk op het individu en het sociaal darwinisme: laat de beste winnen. Wie niet slaagt, heeft dat aan zichzelf te wijten. Die wordt beschouwd als loser. Deze gedachte werkt door in het onderwijs, wat hij ziet als „symptoom van de samenleving”.

In zijn recente boek Intimiteit (2018) constateert hij dat de psychiatrische problemen niet langer gaan over de conflict-pathologie van het permanente onderhandelen tussen goed en kwaad – het lichaam is slecht, de ratio goed – maar over het streven naar niets minder dan volmaaktheid. Op school, op het werk, in de liefde, het gezin, het lichaam. „Het nieuwe mensbeeld is dat van perfectie”, zegt hij. „‘Ik ben nooit goed genoeg.’ Het is uitputtend. Van je eigen schaduw kun je niet winnen.”

Jonge mensen lijken te verwachten dat het leven in een rechte lijn omhoog loopt: van goede schoolresultaten naar de juiste studie, de juiste baan en de perfecte partner.

„Het leven als een digitaal systeem: nul of één. Ik verbaas mij erover dat het zo’n definitief karakter heeft gekregen. Vroeger was er ook concurrentie, maar wij waren niet zo bezig met welke studie we moesten doen om een baan te krijgen. Concurrentie gaat nu bovendien een stap verder. Toen ik het boek Identiteit schreef, ging het over concurrentie met de ander. Nu concurreren we met onszelf. Dat maakt dat je nooit klaar bent.

„Kijk, de meritocratie is een goed idee. Het individualisme is een goed idee. Stress moeten we ook niet demoniseren, dat kan op zich best aangenaam zijn. Maar we zijn doorgeschoten in perfectionisme. Een dodelijke combinatie: het individuele, het concurrentiële, prestatiegerichte, met als mogelijk eindpunt perfectie. Dan wordt het wel heel zwaar. Zelfs vakantie is een prestatie geworden. Terwijl we in een paradijs leven, daar ben ik van overtuigd. We hebben nog nooit zo veel keuzevrijheid gehad, we gebruiken het alleen niet.”

Waarom kiezen we dat wat niet goed voor ons is?

„We zijn met z’n allen vervreemd omdat we voortdurend, onbewust, de beelden overnemen die we tot ons krijgen. Succesvolle, mooie en gelukkige mensen zijn de standaard. Die bepalen ons gedrag en denken. Vroeger was dat ook zo, maar de intensiteit van die beelden is enorm geworden. Daarom mogen we niet falen: het falen is niet meer zichtbaar.”

Hoe moet het onderwijs selecteren in zo’n stressgevoelige samenleving?

„Ik zou het anders organiseren. Ons hoger onderwijssysteem is nu een van de meest democratische in Europa. Ongeveer iedereen met een middelbaar diploma kan studeren. Het gevolg: enorme aantallen eerstejaars studenten. In Gent zijn het er 800 voor psychologie en pedagogiek. Van zeker 150 van hen kunnen we zeggen, op grond van hun tentamenuitslagen van januari: het zal nooit lukken.

„Mijn idee zou zijn om iedereen een vrijblijvend ingangsexamen te laten doen, op grond waarvan ze een advies krijgen: het gaat je lukken of niet. Misschien hebben we dan in het eerste jaar honderd studenten minder.”

Toen u studeerde was die noodzaak tot voorselectie er niet.

„Nee, de studentenaantallen waren veel kleiner. Maar tijdens de studie werd veel strenger geselecteerd. In mijn eerste jaar psychologie waren er 364 studenten, in het tweede jaar nog 130. En je mocht niet terugkeren.”

Een gesjeesde student had toen nog allerlei mogelijkheden. Nu lijkt een bachelor of master het minimum voor een middenklasse-baan.

„Dat is een onderdeel van de druk. Vroeger was er een watervalsysteem, want er was een duidelijk niveauverschil. Als je niet slaagde aan de universiteit, ging je naar de hogeschool. Nu worden die niveaus steeds gelijker.”

Hoe kunnen we aan het perfectionistische mensbeeld ontkomen?

„Wat ik veranderd zou willen zien, is die extreme individualisering, gekoppeld aan concurrentie en de drang naar perfectie. Een illusie, want in mijn ogen gaat het vaak om details waarom je iets bereikt of niet. En ik heb te veel mensen in mijn praktijk gezien die naar alle objectieve maatstaven succesvol zijn, maar toch diep ongelukkig. Ze voelen zich niet goed, terwijl dat volgens het beeld wel zou moeten.

„Hun vraag is waar ze zich goed bij voelen. Dan krijg je eerst banale antwoorden, vaak materiële. Vakantie of reizen. Na verschillende gesprekken zeg ik dat het goed voelen letterlijk genomen moet worden: niet in je hoofd, maar in je lijf. Dan krijg je andere, meer existentiële antwoorden. Persoonlijke contacten, van iemand anders iets terugkrijgen.

„Vaak hoor je mensen zeggen: ik moet zaterdag naar dat feest. Maar als het moet, dan is het geen feest, hè? Lang geleden, toen ik dertig was, moest iedereen plots gaan skiën. Wij gingen met z’n allen naar Oostenrijk. De man die het materiaal uitreikte, had maar één vraag. ‘Moet je skiën, of wil je skiën?’ Als het moest, dan krijg je de eenvoudigste ski’s. Een schitterende vraag.”