De publieke omroep is verdeeld en komt met twee toekomstplannen

Omroeppolitiek De minister wil de publieke omroep hervormen. Die komt nu met twee verschillende plannen. Eén van het centraal bestuur, en een van de omroepen.

Rutger Castricum presenteert het politieke programma De Hofbar (PowNed). Foto Hans Tak
Rutger Castricum presenteert het politieke programma De Hofbar (PowNed). Foto Hans Tak

„Ja, nu krijgt de minister twee enveloppen op zijn bureau”, zegt Jan Slagter, directeur van Omroep MAX. Het was beter geweest als dat één envelop was. Dat had ook weer een postzegel gescheeld.”

Slagter doelt op de twee plannen die de publieke omroep deze week opstuurt naar minister Arie Slob (Media, Christenunie). Slob wil de publieke omroep hervormen. Dit voorjaar, naar verwachting in maart, komt hij met zijn visie op de Nederlandse media. Daarvoor heeft hij aan Hilversum gevraagd wat zij zoal anders zouden willen doen. Deze week krijgt hij daarop twéé antwoorden. Het centraal NPO-bestuur stuurt hem een hervormingsplan. Maar de losse omroepen – verenigd in het College van Omroepen (CvO) – komen met een eigen, afwijkend tegenplan.

Wat staat er in die plannen en waarin verschillen ze van elkaar? De plannen zijn vertrouwelijk, maar NPO-voorzitter Shula Rijxman en CvO-voorzitter Arjan Lock (tevens EO-directeur) willen wel vertellen wat er ongeveer in staat.

Meer ruimte voor buitenstaanders

Een verschil van inzicht tussen de twee gaat over de taakverdeling van de NPO en de omroepen. Officieel maken de omroepen de programma’s en zorgt de NPO voor de distributie. Maar in praktijk bemoeit de NPO zich ook met de inhoud. Bovendien draagt de NPO zelf programma’s aan. Sommige directeuren vinden dat ze zo programma’s opgedrongen krijgen.

Lees ook: Vier plannen om de publieke omroep te verbouwen

Maatschappelijke organisaties en bedrijven kunnen zich namelijk rechtstreeks melden bij het NPO-bestuur met een programma-idee. De NPO koppelt ze vervolgens aan een omroep. Het bestuur wil die mogelijkheid verruimen en eenvoudiger maken, om het omroepbestel meer open te stellen. Het idee is dat deze nieuwe tv-makers bevolkingsgroepen kunnen bedienen die de omroepen uit zichzelf niet kunnen bereiken. Komend jaar kunnen zich ook burgers melden bij de NPO met programma-ideeën.

CvO-voorzitter Lock: „Schoenmaker blijft bij je leest. Omroepen zijn, als maatschappelijke organisaties, het beste in staat om onafhankelijke programma’s te maken. De breedte van de programmering heb ik liever in handen van de diverse omroepen dan bij één NPO-bestuur. Koester de omroepen, koester de pluriformiteit.” Lock denkt dat buitenproducenten evenmin als omroepen in staat zijn om bijvoorbeeld meer jongeren en Nederlanders met een migratie-achtergrond aan zich te binden. „Ik vind dat de omroepen zich daarvoor beter moeten inzetten. Als ik het bij onszelf houd: de EO zou beter zijn best kunnen doen om de 800.000 christelijke migranten te trekken.”

Minderen met reclame

De publieke omroep staat onder druk omdat de reclame-inkomsten teruglopen. Van het huidige budget van 780 miljoen komt ongeveer een vijfde uit reclamegeld (geraamd door de minister op 150 euro). Omdat de minister het verlies dit jaar slechts één keer deels wil compenseren, dreigt er een gat in de begroting te ontstaan.

Het NPO-bestuur wil de reclame op de publieke omroep stapsgewijs afbouwen, mits het Rijk de gemiste inkomsten compenseert. Als experiment wil de omroep eerst beginnen met het weren van reclames rondom kinderprogramma’s en het stoppen met online reclame. Dit laatste maakt overigens slechts 2,5 procent (4 miljoen) uit van de reclame-inkomsten. Afgezien van het grotere kijkplezier van de kijker, moet dit ertoe leiden dat de omroep minder afhankelijk wordt van reclame-inkomsten. Wanneer die dalen, heeft de NPO-directie namelijk de neiging om vooral in te zetten op de kijkcijferhits op NPO 1. Een begrijpelijke commerciële prikkel, die, zo vindt de omroep zelf, niet thuis hoort bij een publieke omroep, waar kwaliteit en maatschappelijke waarde voorop.

Maar ja, minder reclame betekent vooral minder geld, en het is de vraag of de politiek dat blijvend wil compenseren. De Bond van Adverteerders (BvA) stelt in een reactie dan ook dat je beter afhankelijk kunt zijn van reclame dan van de politiek, die zich immers nogal grillig opstelt als het over de publieke omroep gaat. De laatste acht jaar hebben de drie kabinetten-Rutte alleen maar geld van het budget afgehaald.

Lees ook: Hoe de publieke omroep 40 miljoen extra gaat uitgeven

Het tegenplan van de omroepen wil dan ook niet afbouwen, maar de reclame-inkomsten vastzetten, op bijvoorbeeld 140 miljoen per jaar. Meer verdienen mag de STER niet, en als het bedrag lager uitvalt, moet de politiek bijpassen. CvO-voorzitter Lock: „We willen best van de Ster af, maar belangrijker is een stabiele financiering.”

Leden tellen

De publieke omroep bestaat uit negen losse omroepen (plus de ledenloze NOS en NTR) die allen voor een bepaalde bevolkingsgroep dienen te staan. Het idee is dat je zo een zo breed mogelijk publiek bereikt. Het aantal leden was altijd de makkelijk meetbare maatstaf voor de maatschappelijke verankering: hoe groot is het bevolkingsdeel wat ze vertegenwoordigen, en hoeveel zendtijd en subsidie hoort daarbij?

Die koppeling komt nu onder druk te staan. doordat het aantal omroepleden terugloopt. Bij de vorige telling waren het er nog opgeteld 3,5 miljoen, nu is dit volgens de NPO onder de twee miljoen gezakt. Al langer zeggen politici en omroepmensen dat lid zijn van een vereniging niet meer van deze tijd is. Vooral jongeren hebben er geen zin in. Dus zou je het draagvlak op een andere manier moeten meten. Dat is ook wenselijk omdat, zo bleek bij de vorige telling, het werven van een lid tot tien keer zoveel kost (veertig tot vijftig euro) als dat het oplevert (minimaal 5,72 euro).

„Leden blijven belangrijk,” zegt CvO-voorzitter Arjan Lock. „Leden bieden heel veel toewijding en betrokkenheid.” Maar volgens Lock zouden bij de komende telling van de omroepleden (de peildatum is 31 december) twee criteria moeten gelden: hoeveel leden heeft de omroep? En: heeft de omroep ook van toegevoegde waarde? Bij dat laatste criterium kun je kijken naar de binding met de samenleving. Bijvoorbeeld: met welke maatschappelijke organisaties is deze omroep verbonden?

Nu hebben omroepen nog gegarandeerde budgetten, gebaseerd op de ledenaantallen. Vijftig procent van het complete budget is gegarandeerd. NPO-voorzitter Rijxman wil daar vanaf. Althans, desgevraagd houdt ze dit in het midden, maar in haar nieuwjaarstoespraak zei ze: „Niet de grootte van de omroep telt, of het aantal leden, maar het beste programma. De vraag die daarbij hoort is of de huidige financiële garanties die er nu voor omroepen zijn, ook tot de juiste balans in de programmering leidt.” De omroepen zien dat niet zitten: ze begrijpen wel dat een strijd om de zendtijd, en het bijbehorende geld, tot meer creativiteit en gezonde concurrentie leidt. Maar tegelijk hebben ze vaste financiering nodig voor een stabiele organisatie.

Het NPO-plan voorziet ook in een bezuiniging op de overhead van de omroepen, door bijvoorbeeld de afdelingen van administratie en marketing samen te voegen. VPRO-directeur Lennart van der Meulen gelooft er niet in: „Centralisatie is al een tijdje in de mode – grotere scholen, grotere banken – maar op de een of andere manier leidt het nooit tot een bezuiniging.” Lock wijst er op dat de omroepen onlangs al hebben bezuinigd op de kantoorkosten, en zijn die nu, volgens het rapport van adviesbureau BCG (ingehuurd door de NPO) keurig op het gebruikelijke gemiddelde van 15 procent van de totale kosten.

Dat dit bezuinigingsplan door het NPO-bestuur is bedacht om nog meer macht naar zich toe te trekken, zoals een paar andere omroepdirecteuren opperen, wil er bij Lock niet in: „Ik heb geen zin in dat frame van de machtsvraag. Daar gaat het ons niet om.”

Machtsstrijd

Je hoeft echter geen machtsrealist te zijn om uit het simpele bestaan van twee plannen uit Hilversum te constateren dat er een machtsstrijd gaande is. Zowel Lock als Rijxman zeggen dat ze elkaars plan niet gelezen hebben. Twee plannen in plaats van één is in ieder geval slecht voor de beeldvorming: het versterkt het beeld van de publieke omroep die meer bezig is met innerlijke strijd dan, zeg, de strijd tegen buitenlandse partijen.

Lock zegt over de tegenstelling: „Het gesprek tussen de omroepen en de NPO is niet op gang gekomen. Op één bijeenkomst na; een tweedaagse in november. De NPO was vooral bezig met de formele trajecten van het nieuwe concessiebeleidsplan, en niet zozeer met de minister die een ander publiek bestel wil.”

In haar nieuwjaarstoespraak zegt NPO-voorzitter Rijxman over het tegenplan: „Het lijkt me niet verstandig. We moeten niet terug naar het verleden.” Telefonisch vult de NPO-woordvoerder aan: „Dit is de consequentie van ons pluriforme bestel. Omroepen denken vanuit hun missie, maar wij moeten denken vanuit iedereen.”

    • Wilfred Takken