Recensie

Zelfs in kleurigste schilderijen van Ad Gerritsen waait de poolwind

Het Haags Gemeentemuseum verrast met grote solotentoonstelling van de Arnhemse ‘protestliederen schilder' Ad Gerritsen,.

Ad Gerritsen, Slapende dode man, 2001, olieverf op doek, 110 x 130 cm, Collectie AkzoNobel Art Foundation
Ad Gerritsen, Slapende dode man, 2001, olieverf op doek, 110 x 130 cm, Collectie AkzoNobel Art Foundation Foto Haags Gemeentemuseum

Natuurlijk, er zijn musea die het zo doen. Die het publiek zoeken met blockbustende kunstenaars (vaak al dood), BN’ers (met of zonder verstand van kunst – maakt niet uit), met the best of, twintig, dertig, vijftig topstukken als een veldboeket losjes in de zalen geschikt. Dat soort musea hoor je weleens zeggen: wij doen het één, maar ook het ander. Wij geloven in de sandwichformule, die in kunsttermen betekent dat moeilijk naast makkelijk, bekend naast onbekend wordt geprogrammeerd.

Maar het kan ook anders. Het Haags Gemeentemuseum is zo’n instelling die al een aantal jaar stug (want, nee het publiek staat niet te dringen) doorgaat met het maken van grote solotentoonstellingen rondom kunstenaars die in de vergetelheid zijn geraakt, nooit de erkenning kregen die ze volgens het museum verdienen, of nieuw ontdekt zijn. Toch een van de leukste dingen als conservator, lijkt me. De afgelopen jaren verrijkte het Gemeentemuseum ons land met grote solo’s van Alice Neel, Constant Permeke, Jean Brusselmans. In die serie moet nu de grote tentoonstelling met schilderijen van de ‘protestliedjes schilderende’ kunstenaar Ad Gerritsen worden gezien.

Ad Gerritsen, Engeland Londen, 2006, olieverf op doek, 260 x 286 cm, Collectie Museum Arnhem Foto Haags Gemeentemuseum

Gerritsen (1940-2015) was een echte ‘kunstenaars-kunstenaar’ – op handen gedragen door oud-AKI-leerlingen Gijs Assmann en Ronald Ophuis, bewonderd door een paar vaste verzamelaars en collega-kunstenaars onder wie Klaas Gubbels, die Gerritsen regelmatig op zijn atelier uitnodigde om zijn werk eens ‘goed af te zeiken’. Maar de Arnhemse Gerritsen werd geen Beroemde Kunstenaar. Buiten de kleine kring liefhebbers bleef de autodidact met een vooropleiding als banketbakker, soldaat en een klein stukje kunstacademie vrijwel onbekend.

Codekraker die gezichten wil doorgronden

Daar probeert het Haags Gemeentemuseum verandering in te brengen met een groot tentoonstellingsparcours langs vooral schilderijen en een enkel stuk grafiek. Duidelijk wordt hoe Gerritsen zijn leven lang – vanaf zijn eerste doeken in de jaren zestig - probeert te doorgronden wat het uiterlijk van een mens zegt over de diepten die onder dat uiterlijk schuil gaan. In die zin is hij een spoorzoeker, een codekraker die het geheimschrift van een gezicht probeert te ontcijferen. Dat ontcijferen doet Gerritsen enige jaren als creatief therapeut, maar vooral en zijn leven lang met artistieke middelen - in olieverf, fotografie, collages, grafisch werk, boekjes. Zoals zo vaak, is de zoektocht interessant, niet zozeer de vraag óf het geheimschrift is ontcijferd.

Gerritsens schilderijen vertonen – als kinderen van hun tijd – afwisselend kenmerken van de informele schilderkunst van Dubuffet, op massamedia gebaseerde popart, maar vooral van de in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw opkomende Nieuwe Figuratie. Een geslaagd gruizig schilderij uit 1965, Dood van een kardinaal (een aap aan een rekstok), roept Francis Bacons vermolmde Seated Figure (Red Cardinal) op. En bij een doek als Van der Lubbe met kat (1975) – één uit een serie schilderijen over Marinus van der Lubbe, de onbewezen ‘brandstichter’ van de Reichstag die door de nazi’s werd onthoofd – zie je onmiddellijk de verwantschap met de Vlaamse schilder Roger Raveel. Figuratie en abstractie, huiselijkheid (de kat) en communistische ideologie voeren in Van der Lubbe met kat een zwijgend steekspel, met als inzet de dood.

Seriemoordenaars, mismaakten en randfiguren

Vaak wordt zijn werk als confronterend omschreven, vanwege de voorliefde van de kunstenaar voor randfiguren, serie-moordenaars, mismaakten, oorlogsslachtoffers die mooi weer spelen en nog meer. Maar het is niet door deze thematiek dat Gerritsens beste schilderijen confronteren en dwingen tot kijken, opnieuw kijken en nog eens kijken. Gerritsens doeken zijn uitbundig coloristisch en toch vreemd geserreerd: alsof er altijd een poolwind waait. Ze zijn figuratief maar bevatten ook vreemde abstracte partijen: een jurk kan bijvoorbeeld ook een zwart gat zijn. Zijn kleurgebruik is vrijmoedig en spontaan, maar zit vol lagen. Als Gerritsen in 2001 een Slapende dode man schildert, vraag je je in eerste instantie af: ziet de dood eruit als slaap? Of de slaap als de dood? Maar eigenlijk is die vraag niet interessant. Kijk naar de man op het doek: een koude, blauwe streep loopt langs zijn gezicht, zijn jasje, zijn dasje hangen om het lijf en dat lijf zweeft boven een zwarte berg die omringd wordt door paarse wolken.

In dit soort werken is Gerritsen op zijn best. Maar toch valt de tentoonstelling uiteindelijk tegen. Dat komt doordat een groot deel van Gerritsens werk ontbreekt in Den Haag: de foto’s, films, performances en vooral veel boekjes die hij maakte en uitgaf. Vreemd is ook dat er geen goede catalogus bij deze ‘herontdekking’ uitkomt en in plaats daarvan wordt volstaan met een best gedateerd boek. Bedenk daarbij dat de tentoonstellingsteksten op zaal van een erbarmelijk niveau zijn, en duim dan voor een echt goed overzicht in de toekomst van het werk van deze bijzondere eenling.

    • Lucette ter Borg