Wie wil er nog betalen voor een veilige publieke bank?

Betaalrekening Een publieke bank zonder risico – daar is behoefte aan. Maar hoe groot is die behoefte als je spaar- en betaalrekening zeker twee keer zo duur is als bij een gewone, commerciële bank?

Illustratie studio NRC

Vraag: wat kost het om een bank draaiende te houden? Of liever nog: wat kost het om een rekening te hebben bij een publieke spaar- en betaalbank? Die vragen zijn actueel nu de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) vorige week het advies gaf naast alle commerciële banken een publiek alternatief op te richten.

Zo’n depositobank zou een ultraveilig alternatief kunnen bieden voor commerciële instellingen als ABN Amro, Rabobank, ING en Volksbank. Die nemen risico’s met spaargeld dat daar is neergezet en ze kunnen in de problemen komen. Dankzij het depositogarantiestelsel is dat risico beperkt – per persoon is ongeveer een ton aan spaargeld gegarandeerd veilig – maar het blijft een risico.

In de nasleep van de crisis van 2008 is de vraag naar een veilig alternatief actueel. Niet alleen in Nederland, ook in Zwitserland en Zweden is de roep om een risicoloze digitale kluis voor spaartegoeden hoorbaar.

Werkelijke kosten

Wat betekent zo’n risicoloze bank voor een klant? Daarvoor moeten we eerst snappen hoe een commerciële bank werkt. Een klant betaalt voor een simpele betaalrekening nu zo’n 1,5 euro per maand. Op jaarbasis is dat 18 tot 20 euro. In ruil daarvoor krijgt hij een bankrekening, een pinpas en kan hij overal betalen. Ook krijgt hij een (minimale) rente op zijn spaartegoed. Die 20 euro per klant is voor de bank bij lange na niet voldoende om de werkelijke kosten te betalen. Denk aan personeel, kantoren, innovaties, vergunningen, bijdrage aan het depositogarantiefonds, miljardeninvesteringen in aanleg, onderhoud en beveiliging van ICT-systemen. Hoe meer klanten, hoe beter de bank die kosten over de rekeninghouders kan spreiden. Maar dan nog zijn de bijdragen van de miljoenen rekeninghouders slechts goed voor ongeveer de helft van de werkelijke kosten.

Omdat de publieke bank geen andere mogelijkheid heeft om geld te verdienen, moet de bank die kosten verhalen op de klant

Hoe dekt een commerciële bank de rest van die kosten? Kort door de bocht: door risico’s te nemen. De bank leent geld uit tegen een hogere rente dan ze op spaartegoeden geeft, de bank belegt, de bank financiert, de bank is, kortom, aan het werk. Daarmee verdient ze genoeg om de kosten te kunnen betalen – en nog een dikke winst voor zichzelf en aandeelhouders over te houden.

Terug naar de ‘100 procent veilige’ publieke spaar- en betaalbank. In het WRR-voorstel staat dat op de linkerkant van haar balans alleen centralebankreserves mogen staan. Dat betekent dat de bank ontvangen (spaar)tegoeden rechtstreeks overhevelt naar de centrale bank en daar reserves voor terugkrijgt. Geen staatsobligaties, hypotheken of andere beleggingen; dat zijn risicovolle(re) bestedingen.

Lees ook het achtergrondverhaal over het WRR-advies

Boeterente

Hier beginnen de problemen: die reserves bij de centrale bank leveren al een paar jaar geen rente op. Sterker, ze kosten geld. Stalt een bank een miljoen euro bij de Europese Centrale Bank, dan moet ze daar een boeterente van 0,4 procent over betalen: 4.000 euro dus. In normale tijden verandert dat beeld overigens wel: de depositorente was voor de crisis gemiddeld zo’n 2 procent.

Tel bij die boeterente op deposito’s nog de kosten voor personeel, vergunningen en ICT, en de rekening loopt aardig op. Omdat de publieke bank geen andere mogelijkheid heeft om geld te verdienen, moet de bank die kosten een op een verhalen op de klant.

Een voorzichtige schatting is dat een rekening bij een publieke bank een klant dubbel zoveel kost als bij een commerciële bank. Naar een vergoeding op hun spaargeld kunnen klanten al helemaal fluiten. Veiligheid heeft een prijs.

Overigens is 100 procent veilig alleen van toepassing op de financiële kant van de bank. Bedrijfsrisico’s kunnen ook bij een publieke instelling niet worden uitgesloten. Denk aan fraude, ICT-problemen of een hack. Om die reden zou ook een publieke bank wellicht moeten bijdragen aan het depositiegarantiefonds. Op kosten van de klant, vanzelfsprekend.

Betalen voor veiligheid

Daarmee is niet gezegd dat een publieke spaar- en betaalbank geen bestaansrecht heeft. De praktijk moet dat uitwijzen. Feit is dat de Nederlandse consument zich gevoelig heeft getoond voor beide zijden van het bancaire spectrum. Begin 2008 renden ruim honderdduizend mensen (en een aantal gemeenten en provincies) met samen 1,6 miljard euro aan Nederlands spaargeld naar de IJslandse internetspaarbank Icesave. Daar kregen ze een half procentpunt meer rente. Er waren al waarschuwingen over de stabiliteit van de bank, die implodeerde in oktober 2008. Spaarders moesten hun geld maar via het depositogarantiestelsel zien terug te krijgen.

Aan de andere kant: de ideële Triodosbank kon vorig jaar de spaarrente naar 0 procent verlagen zonder dat dit haar klanten heeft gekost. Blijkbaar is de Triodosklant niet bezig zijn rendement te maximeren en levert hij liever wat in om het duurzame karakter van zijn bank te ondersteunen.

Het bestaansrecht van een publieke spaar- en betaalbank staat of valt dus met de vraag hoeveel mensen bereid zijn te betalen voor veiligheid. De zoektocht naar het antwoord op die vraag is met het WRR-rapport begonnen.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.

    • Egbert Kalse