Opinie

Commissie- Remkes heeft geen oog voor Europa

De Tweede Kamer verliest controle op problemen die in Europees verband worden aangepakt. De aanbevelingen van de staatscommissie schieten tekort, schrijven en .

In haar recent verschenen eindrapport Lage drempels, hoge dijken doet de commissie-Remkes aanbevelingen voor de versterking van ons parlementaire stelsel. Het doel is de Tweede Kamer „te versterken als een voor burgers herkenbare en invloedrijke volksvertegenwoordiging”. Daarvoor moet de Kamer grip op de eigen agenda krijgen, informatie inwinnen en commissies opzetten. Maar voor een parlementaire grip en toezicht op internationaal beleid schieten de aanbevelingen van de commissie tekort.

Urgente maatschappelijke problemen (de opwarming van de aarde, internationale veiligheid en migratie) kunnen niet door nationale parlementen worden verholpen. Binnen en (vooral) buiten de EU krioelt het dan ook van de internationale samenwerkingen en veel van onze nationaal georganiseerde bestuurscommissies (de zogenoemde ZBO’s, zelfstandige bestuursorganen) werken met internationale belangenorganisaties om regels en beleid op te stellen. De Rijksdienst voor het Wegverkeer werkt bijvoorbeeld aan Europese (gestolen) voertuigregistratiesystemen; de Autoriteit Consument en Markt houdt Europees toezicht op de marktwerking en de Autoriteit Bescherming Persoonsgegevens onderhandelt over Europese privacyregels.

De vraag luidt daarom hoe de Eerste en Tweede Kamer grip kunnen houden op beleid en toezicht in een wereld waarin grote maatschappelijke problemen niet langer op nationaal niveau worden opgelost. Hoe moet het parlement controle houden als steeds meer onafhankelijke, internationale organisaties Europees beleid vormgeven?

Uiteraard doet de commissie een aantal aanbevelingen over hoe ons parlement zich beter kan verhouden tot de EU. Sommige zijn echter overbodig. Zo is de benoeming van EU-rapporteurs in de Tweede Kamer al een staande praktijk. D66-Kamerlid Matthijs Sienot is bijvoorbeeld Europees rapporteur schone energie en Anne Mulder (VVD), Pieter Omtzigt (CDA) en Lodewijk Asscher (PvdA) hebben de Brexit in hun portefeuille. De zogeheten Europese inzetbrieven (‘fiches’) die de regering krijgt voor alle nieuwe EU-plannen bevatten de doelen van de regering al – het parlement ontbeert daarentegen vaak zicht op het onderhandelingsproces dat op die inzet volgt. Daarom is het van belang dat Kamerleden zich ook laten informeren door andere bronnen.

Andere suggesties van de staatscommissie zijn eerder gewogen en te licht bevonden. Een publieke online EU-monitor kan inzicht geven in het verloop van Europese beleidsprocessen. Maar in de begroting van de Tweede Kamer voor 2019 is deze reeds ver ontwikkelde website onverhoeds gesneuveld.

Burgerparticipatie, waarbij burgers hun mening over Europese wetgeving kunnen geven, is geen quick fix, zoals onderzoek van het Rathenau-instituut laat zien.

Betere informatie en verantwoording zouden volgens de staatscommissie kunnen worden geregeld in een speciale Europawet. Die zou nationale parlementen meer inspraak moeten geven in Europese afspraken. Maar er is nu jaarlijks overleg over de Europese informatievoorziening van de Kamer met de minister van Buitenlandse Zaken, die zorgt dat alle vakdepartementen de Kamercommissies tijdig en volledig informeren over Europese ontwikkelingen. Daarbij kunnen bestaande afspraken worden gewijzigd of herbevestigd. Door de Europawet zou deze flexibele manier van werken stollen.

Met een andere aanbeveling, een parlementaire EU-commissie met leden van beide Kamers, is in de jaren negentig slechte ervaring opgedaan. De reden om dit experiment te beëindigen: praktisch lukt het zelden om senatoren en Kamerleden samen te laten vergaderen. Bij die schaarse bijeenkomsten blijkt ook nog eens dat beide Kamers een eigen agenda en positie hebben in het Europese spel.

Tot slot stuit ook samenwerking tussen nationale parlementen in de praktijk op de grote verschillen tussen de Bondsdag, de Franse Assemblée, de Finse Eduskunta en andere parlementen – mede door de grote verschillen in hun nationale belangen en bevoegdheden.

Remkes richt zich op de vraag hoe burgers beter gehoord kunnen worden – nationaal en in Europa. In plaats van zich te beklagen over het feit dat het parlement geen controle kan uitoefenen op ZBO’s, had de commissie kunnen nadenken over mogelijkheden om parlementaire grip te krijgen op deze onafhankelijke besturen. Niets staat het parlement immers in de weg om zich door deze organisaties te laten informeren over hun inzet en vraagstukken bij de vorming van internationaal beleid. ZBO’s zijn onafhankelijk in de uitvoering van hun taken, maar zij dragen internationaal een ‘Nederlands’ standpunt uit. De Kamer zou ZBO’s daarom vaker rechtstreeks kunnen bevragen. Kamerleden zouden zich regelmatig door experts moeten laten bijpraten over internationale beleidsontwikkelingen die voor de Nederlandse samenleving van belang zijn.

De ware kracht van een parlement komt naar voren wanneer alle burgers zich erin herkennen, en als zij zien dat hun vertegenwoordigers grip hebben op de snel veranderende wereld om hen heen.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.