Opinie

Brexit is geen alibi voor een bestuurlijke staatsgreep

noodwet

Er moet echt iets aan de hand zijn wil in een democratisch land als Nederland de regering besluiten het parlement buiten spel te zetten. Toch komt de noodwet die het kabinet eind vorig jaar indiende en waarover de Tweede Kamer donderdag zal discussiëren hierop neer. Toegegeven, de noodwet die alles te maken heeft met de aanstaande Brexit beslaat een beperkt aantal terreinen, maar de verstrekkendheid is er niet minder om.

Wat achter de ogenschijnlijk neutrale titel Verzamelwet Brexit schuilgaat, lijkt een technische exercitie. Het verklaart waarom de partiële opheffing van de democratie nog niet tot massaal protest heeft geleid. De kritiek is beperkt gebleven tot staatsrechtgeleerden en – ook niet onbelangrijk – de Raad van State. Dit eerbiedwaardige college is niet van de grote woorden, maar als de Raad in zijn advies bij de noodwet kwalificaties gebruikt als „ongebruikelijk” en „onwenselijk” is er wel wat aan de hand.

Om het in de huiselijker terminologie van de Leidse staatsrechtdeskundige Wim Voermans te stellen: met de noodwet wordt „de poort opengegooid om grootschalig af te gaan wijken van allerlei bestaande regelingen voor een paar jaar”. De vraag is of bij een vertrek van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie zodanig grote problemen dreigen dat die een principiële inbreuk op het parlementair stelsel rechtvaardigen.

Het is goed dat het kabinet zich op alle mogelijke gevolgen van de Brexit voorbereidt. De afgelopen twee jaar zijn initiatieven genomen om een gevoel van urgentie te kweken. Een moeilijke opgave omdat de Brexit zo’n unieke kwestie is dat de consequenties lang niet allemaal zijn te overzien. Het is begrijpelijk dat zeker bij het midden- en kleinbedrijf de afwachtende houding overheerst. Temeer daar het nog altijd niet zeker is of de Britten wel met een enorme knal – de harde Brexit – zullen vertrekken.

Een overheid moet daarentegen wel op alles zijn voorbereid. Dus is het te billijken dat het kabinet een begin heeft gemaakt met het aanwerven en opleiden van duizend douaniers met als risico dat deze straks niet nodig zijn of in elk geval niet in dit aantal. Het is ook terecht dat alle wet- en regelgeving op Brexitgevoeligheid is getoetst en aanpassingen zijn voorbereid.

Maar op het terrein van de bestuurlijke ordening is het kabinet doorgeslagen met het voorstel om bij „onvoorziene problemen” ministeriële regelingen zonder tussenkomst van het parlement mogelijk te maken. In het wetsvoorstel is deze bevoegdheid zo algemeen geformuleerd dat geen enkele parlementariër dit over zijn of haar kant kan laten gaan.

Natuurlijk, nood breekt wet, maar het is het andere uiterste hier als kabinet reeds bij voorbaat van uit te gaan. Te weinig is gekeken of op een andere manier niet hetzelfde kan worden bereikt, maar dan wel met optimale democratische controle. Op een ‘gewone’ manier dus eigenlijk.

In de aanloop naar het debat in de Tweede Kamer heeft de eerste ondertekenaar van de wet, minister Stef Blok (Buitenlandse Zaken, VVD), zich enigszins ontvankelijk getoond voor de kritiek van Kamerleden. De criteria voor het toepassen van de noodwet zijn verscherpt, de duur ervan is verder beperkt.

Dit is zeker een verbetering vergeleken bij het oorspronkelijke voorstel, maar het punt blijft dat hij voor de regering speelruimte blijft opeisen die haar niet toekomt. De Brexit kan geen alibi zijn voor een bestuurlijke staatsgreep. Het zou goed zijn als de Tweede Kamer dit duidelijk maakt door een verdere inperking van de noodwet te eisen.

In het Commentaar geeft NRC zijn mening over belangrijke nieuwsfeiten. De commentatoren schrijven deze artikelen in samenspraak met de hoofdredactie.