Wat weten we over al dat plastic in zee?

Milieuvervuiling De stranden van de Waddeneilanden werden deze maand bezaaid met rommel uit zeecontainers. Die aanblik van de stranden liet weer zien hoezeer de zee is vervuild met grote hoeveelheden plastic.

Protest van milieu-organisatie Greenpeace in juni 2017 tegen plastic vervuiling in de Middellandse Zee.
Protest van milieu-organisatie Greenpeace in juni 2017 tegen plastic vervuiling in de Middellandse Zee. Foto EPA

Europeanen maken zich grote zorgen over plastic vervuiling van de zeeën en de stranden. En ze zien het afval toenemen. Dat komt uit een eerder dit jaar gepubliceerde enquête onder ruim 1100 mensen uit 16 Europese landen. Maar hoe terecht zijn die zorgen? Hoe schadelijk is al dat plastic nou precies?

Voor de zogeheten micro- en nanoplastics – deeltjes kleiner dan 5 millimeter – is dat nu uitgezocht, door het Europese academische adviesorgaan SAPEA. Een speciaal ingestelde werkgroep inventariseerde de wetenschappelijke literatuur en publiceerde vorige week zijn rapport. De conclusie: de kans dat mens en natuur in Europa op dit moment al schade oplopen door een te hoge blootstelling aan micro- en nanoplastics is gering. Tegelijkertijd is er ook nog heel veel onbekend.

Dus, zijn de publieke zorgen overdreven? Hoe zit het precies? Wat is er bekend, en wat zijn de gaten in de kennis? De stand van zaken aan de hand van vijf vragen.

1. Wat zijn micro- en nanoplastics?

Het is de benaming voor kleine plasticdeeltjes. De werkgroep heeft gekozen voor een bovengrens van 5 mm. „Dat is een beetje arbitrair”, zegt Bart Koelmans, hoogleraar water- en sedimentkwaliteit aan de Wageningen Universiteit en voorzitter van de SAPEA-werkgroep. Deeltjes van 6 of 7 mm gedragen zich niet heel anders. Soms leggen onderzoekers de grens juist lager, bij 1 mm. Maar een grens van 5 mm neemt ook de industriële korrels mee, waaruit plastic producten worden gemaakt.

Micro- en nanoplastics kunnen ontstaan door verwering van grotere stukken plastic. Ook zitten ze als zodanig in producten als cosmetica en douchegel. Belangrijke bronnen, zo blijkt uit het rapport, zijn slijtende autobanden, gewassen synthetische kleding, en gedumpte visnetten en -lijnen. Plastic afval, ook microplastics, is teruggevonden in rivieren en zeeën, op stranden, koraalriffen, in baaien, de open oceaan. Het drijft niet alleen aan het oppervlak, maar zweeft onder water en ligt op de bodem. Micro- en nanoplastics zitten ook op en in landbodems en zweven in de lucht. Ze zijn gevonden in bron- en kraanwater en in voedingsmiddelen.

De SAPEA-werkgroep heeft naar micro- en nanoplastics gekeken vanwege hun specifieke gevaar. Bij grotere stukken plastic, vaak restanten van vistuig, gaat het vooral om verstrikking, zo laat onderzoek zien. Bij kleinere stukken zit het gevaar er vooral in dat ze opgegeten worden en in een lichaam schade veroorzaken. En als kleine organismen, zoals zoöplankton, plastics eten kunnen die zich door de hele voedselketen verspreiden en ophopen – ook in de mens. Dat geldt net zo voor de chemicaliën die in plastics zijn verwerkt, zoals brandvertragers, weekmakers, kleurstoffen. „Bovendien is dat kleine plastic niet met het blote oog te zien”, zegt Koelmans. Mensen maken zich ongerust als een dreiging onzichtbaar is. De onrust is de laatste jaren aangewakkerd door de toegenomen media-aandacht voor microplastics, en hun potentieel gevaar.

2. Hoe stel je de schade van microplastics vast?

In de natuur is dat lastig. Als je bij een dood dier plastic in het lichaam aantreft, wil dat niet zeggen dat het de doodsoorzaak was. Daarom worden proeven in het laboratorium gedaan, waarbij allerlei soorten organismen aan allerlei concentraties plastic deeltjes worden blootgesteld. Ecotoxicologen proberen zo de kans op schade, het zogeheten ecologisch risico, vast te stellen. „Zoals we dat bij chemische stoffen ook doen”, zegt Koelmans.

De laatste jaren is een aantal overzichtsartikelen gepubliceerd die al dat labwerk samenrapen en inventariseren – het SAPEA-rapport noemt ze. Het opeten van microplastics blijkt allerlei effecten te hebben. Bij zoöplankton, zee-pieren en vissen is aangetoond dat de eetlust vermindert, bij krabben beïnvloedt het de ademhaling. Het remt ook de groei van zeesterren en de fotosynthese van algen. Microplastics kunnen ontstekingen veroorzaken, ze kunnen het maagdarmkanaal blokkeren, en hele kleine deeltjes kunnen de darmwand passeren en elders in het lichaam terecht komen, bijvoorbeeld in de bloedbaan. Maar wat blijkt? Effecten beginnen pas op te treden bij concentraties die honderden keren hoger liggen dan nu doorgaans in de natuur worden gevonden. „Slechts een paar plekken komen erbij in de buurt”, zegt Koelmans. Bijvoorbeeld een aantal kustwateren in de Baltische Zee en de Middellandse Zee. De werkgroep concludeert daarom dat het ecologisch risico, op basis van het huidige bewijs, nu heel klein is. Niet alleen van de plastics zelf, maar ook van de chemicaliën die erin verwerkt zitten. Dat kan wel veranderen. Als plastic afval zich in de natuur blijft ophopen zal er over een eeuw zeker schade door ontstaan.

Het rapport plaatst ook kanttekeningen bij de hoofdconclusie. Want veel labstudies zijn gedaan met schone, ronde plasticdeeltjes van polyetheen of polystyreen. Hoe representatief zijn die? In de natuur hebben de deeltjes allerlei vormen – onregelmatig, met scherpe hoeken. Ze zijn zelden schoon – er zitten chemicaliën op en in. En in de natuur worden ook vaak deeltjes van polypropyleen, polyester of polyamide aangetroffen.

3. Wat zijn de gaten in de kennis?

In het rapport staan er veel. Het is niet goed bekend in hoeverre plastic kan ‘reizen’ door een lichaam. Bij embryo’s van zebravissen is het nu voor het eerst aangetoond dat heel kleine plasticdeeltjes (70 nanometer groot – een nanometer is een miljoenste millimeter) via de darmen in de lever terecht kunnen komen. Het is ook niet goed bekend hoeveel van het opgegeten plastic het lichaam weer gewoon verlaat, via de ontlasting. En plastics kunnen wel effecten hebben op individuen, maar wat betekent dat voor populaties, of soorten? Het is amper bestudeerd.

Verder is duidelijk dat er bacteriën zijn die plastics kunnen afbreken, maar of dit in de natuur gebeurt, waar, en hoe snel, is nog onduidelijk. Ook ontbreekt het nog aan een techniek die nanoplastics (alles kleiner dan 100 nanometer) in het milieu kan meten – de vastgestelde concentratie microplastics kan dus een onderschatting zijn.

Ook zijn plastics nog niet in perspectief geplaatst met andere deeltjes die van nature in het milieu aanwezig zijn – vaak in veel hogere concentraties – en die ook schade kunnen veroorzaken. Een vorig jaar gepubliceerd artikel gaat daarop in. Het noemt deeltjes als klei, zand, cellulose, chitine. „Daarom”, zegt Koelmans, „zeggen we in het rapport dat onze conclusie met nogal wat onzekerheid is omgeven.”

„Het is een uitstekend en afgewogen rapport”, zegt Dick Vethaak, hoogleraar waterkwaliteit en ecotoxicologie aan de Vrije Universiteit Amsterdam, en niet bij het rapport betrokken. Maar hij vindt één ding onderbelicht. Dat is de rol die kleine plasticdeeltjes kunnen spelen als transportmiddel voor allerlei flora en fauna, ook mogelijke ziekteverwekkers. Dat kan zo op plekken komen waar ze normaal niet voorkomt, en daar de natuur verstoren.

4. Loopt de mens gevaar?

Ook de mens krijgt micro- en nanoplastics binnen. Want ze zijn aangetroffen in bron- en drinkwater, in voedingsmiddelen. Ze zweven ook in de lucht. In hoge concentraties kan dat bijvoorbeeld leiden tot stoflongen. Werknemers in fabrieken waar ze kunststoffen maken, en waar veel deeltjes in de lucht zweven, lopen bijvoorbeeld risico. Met die plasticdeeltjes komen ook de daarin aanwezige chemicaliën mee. Zo heeft de Europese autoriteit voor voedselveiligheid berekend hoeveel bisfenol A, pcb’s en pak’s een mens binnen krijgt via de microplastics die in 225 gram opgegeten mosselen zitten. Het zou 0,2 procent bijdragen aan de hoeveelheid die mensen dagelijks aan die chemicaliën binnenkrijgen via het eten.

Al met al ziet de werkgroep op dit moment geen „wijdverspreide risico’s” voor de menselijke gezondheid. Ook hier zijn weer onzekerheden. Een belangrijke onbekende, zo stelt het rapport, is dat vaak niet bekend is welke chemicaliën er allemaal in een partij plastic zijn verwerkt.

5. Zijn de publieke zorgen overdreven?

Het gevaar wordt regelmatig overdreven, zegt Dick Vethaak. Dat wil niet zeggen dat hij zich geen zorgen maakt. Dat doet hij wel, zeker als plastics zich kunnen blijven ophopen in het milieu. Maar momenteel zijn daar andere problemen die wel voor aantoonbare schade zorgen. Denk aan fijnstof in de lucht. Daardoor overlijden alleen al in Nederland jaarlijks circa 9.000 mensen vroegtijdig. Of neem eutrofiëring van water. Doordat meststoffen vanaf de akkers uitspoelen en in sloten, rivieren en zeeën terechtkomen, zorgen ze daar voor uitbundige algenbloei, die de bestaande flora en fauna om zeep helpt. „Die problemen leven veel minder bij het publiek.”

Koelmans schreef twee jaar geleden in een kritisch stuk over de risico’s van plastics dat de publieke discussie „karakteristieken van een hype” heeft. Uit het nu gepubliceerde rapport blijkt dat de berichtgeving door de media over microplastics tussen januari 2017 en oktober 2018 sterk is toegenomen. Er wordt vaak gesproken in termen van een „potentieel” gevaar, ook door wetenschappers. „Dat wakkert de angst aan”, zegt Koelmans.

Ook de nabijheid van een probleem kan een rol spelen. Microplastics in cosmetica en kleding krijgen veel aandacht, terwijl hun aandeel in het milieu klein is. „Visnetten en slijtende autobanden zijn veel belangrijkere bronnen”, zegt Koelmans.

Volgens psycholoog Sabine Pahl van de universiteit van Plymouth, en vice-voorzitter van de SAPEA-werkgroep, laten mensen zich bij hun oordelen sterk leiden door hun morele kompas. Plastics horen niet in het milieu. Dat je ze toch overal vindt, maakt hen boos. „Het is de outrage factor”, zegt Pahl. Daardoor beoordelen ze milieuproblemen anders dan wetenschappers doen die puur naar de ecotoxicologie en de waterkwaliteit kijken.