‘Katholieke congregatie is aansprakelijk voor dwangarbeid van meisjes’

Zusters van de Goede Herder Zusters schonden Europees mensenrechtenverdrag met dwangarbeid van meisjes. Bij uitblijven van schikking volgt rechtszaak.

Voorwerpen in het Museum van de 20ste Eeuw in Hoorn die genoemd worden in interviews met de katholieke zusters van de Goede Herder.
Voorwerpen in het Museum van de 20ste Eeuw in Hoorn die genoemd worden in interviews met de katholieke zusters van de Goede Herder. Foto Merlijn Doomernik

Vierenveertig vrouwen die als meisje in wasserijen en naaiateliers van de zusters van de Goede Herder dwangarbeid deden, hebben de katholieke congregatie deze week aansprakelijk gesteld. Ze eisen erkenning van de misstanden, nabetaling van loon en compensatie voor de materiële en immateriële schade. In de aansprakelijkstelling die donderdag is verstuurd, wordt de zusters schending verweten van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens door de meisjes op te sluiten en te dwingen tot onbetaalde arbeid. Als er binnen zes weken geen minnelijke regeling komt, volgt een rechtszaak, zegt hun advocaat Liesbeth Zegveld.

Lees ons dossier: de meisjes van de Goede Herder

De claim komt na de onthulling in NRC vorig jaar dat zeker 15.000 meisjes en vrouwen in Nederland tussen 1860 en 1978 dwangarbeid deden in de zogenoemde „liefdesgestichten” van de zusters in Zoeterwoude, Tilburg, Velp en Almelo.

Meldingen over uitbuiting door de nonnen waren er eerder in Frankrijk, Australië, Canada, VS, Duitsland en Ierland. In Ierland liet de regering onafhankelijk onderzoek doen. De slachtoffers kregen een schadevergoeding van de regering. De nonnen weigerden te betalen.

In Nederland weigerde de congregatie vorig jaar ook slachtoffers financieel tegemoet te komen. Volgens de congregatie is hun vordering „geruime tijd verjaard”. Zegveld: „Het is de vraag of de congregatie door verjaring beschermd wordt. Het was immers een internationaal systeem van uitbuiting en misbruik.”

De congregatie laat schriftelijk weten: „De beschuldigingen en herinneringen van de vrouwen zijn ernstig en pijnlijk. Het leed dat de vrouwen ervaren heeft ons diep geraakt. De congregatie heeft steeds meegewerkt aan alle onafhankelijke onderzoeken en zal dat blijven doen. De congregatie zal na zorgvuldige bestudering van de aansprakelijkheidstelling verder reageren.”

De 44 vrouwen verbleven van 1948 tot eind jaren zeventig in één of meer instellingen van de zusters. Ze waren destijds tussen de 10 en 21 jaar oud. Zegveld: „Zij moesten onder bedreiging van straf en tegen hun wil arbeid verrichten. Zes dagen per week, acht uur per dag.”

De meisjes werkten in naaiateliers, wasserijen, strijkkamers, en deden huishoudelijk werk. De gestichten waren afgesloten. Zegveld: „Er stond straf op verzet tegen het werk, weglopen, uitrusten of langzaam werken.” De zusters wordt ook verweten dat ze de meisjes onderwijs onthielden en onderwierpen aan „psychische mishandeling en verwaarlozing”. Verder is er het verwijt van fysiek geweld. Zegveld: „Enkelen zijn onder dwang en met geweld geaborteerd. Anderen moesten hun kind afstaan.” De groep wordt gesteund door lotgenotenorganisatie VPKK. Die wil dat de overheid, net als in Ierland, onafhankelijk onderzoek laat doen. Minister Dekker (Rechtsbescherming, VVD) weigert dat. VPKK-bestuurster Annemie Knibbe: „Hij zegt dat het eerder al onderzocht is, wat gewoon niet waar is.”