Recensie

New York eert de Hollandse Meesters

Expositie In de 19de eeuw, de gouden eeuw voor Amerika, verzamelden veel rijke zakenmannen schilderijen van Hollandse meesters als Vermeer en Rembrandt. Het Metropolitan Museum in New York brengt er op de expo In Praise of Painting 67 bijeen.

Slapend meisje (1657) van Johannes Vermeer.
Slapend meisje (1657) van Johannes Vermeer. Foto Metropolitan Museum of Art

Amerika kreeg zijn eerste Vermeer in 1889. Vrouw met waterkan werd toen geschonken aan The Metropolitan Museum of Art in New York. Het Rijksmuseum in Amsterdam bezat op dat moment alleen nog Brieflezende vrouw van de Delftse meester (1632-1675), die maar heel weinig werk naliet en pas laat in de negentiende eeuw ontdekt werd. Inmiddels heeft ‘The Met’ er vijf, één meer dan het Rijks. Ze maken deel uit van de tentoonstelling In Praise of Painting. Dutch Masterpieces at the Met, die tot de herfst van 2020 de collectie Hollandse meesters van het New Yorkse museum laat zien.

Zoals de meeste musea in Amerika dankt het Metropolitan Museum zijn verzameling schilderijen uit de Gouden Eeuw vrijwel geheel aan schenkingen van individuele zakenlieden, die hun verzamelingen opbouwden tijdens de Gilded Age, Amerika’s eigen periode van voorspoed, die begon in de tweede helft van de negentiende eeuw, na het einde van de burgeroorlog. Henry Marquand, een bankier die rijk werd met speculeren in spoorwegaandelen, schonk het museum naast die eerste Vermeer werken van Gabriël Metsu en Hendrick Sorgh. Jacob Rogers, fabrikant van stoomlocomotieven, liet het museum in 1901 acht miljoen dollar na, waarmee de aankoop van een aantal andere Hollandse meesters bekostigd kon worden. Velen volgden met grotere of kleinere schenkingen en legaten, waaronder bankier J.P. Morgan.

Een vijfde van de werken op de tentoonstelling komt uit de collectie van Benjamin Altman, oprichter van het warenhuis B. Altman & Co. Altman was destijds een grote speler op de Europese kunstmarkt en liet bij zijn dood in 1913 zijn omvangrijke collectie na aan het museum. Daaronder was een derde Vermeer en twintig Rembrandts, waarvan er nu nog slechts enkele aan de meester zelf worden toegeschreven.

In Nederland waren er destijds maar weinig vermogende particulieren die tegenwicht konden bieden aan de rijkdom uit de Nieuwe Wereld, terwijl er juist in het kader van nationale identiteitsvorming zo’n behoefte bestond om de iconen van de Gouden Eeuw te behouden of terug te halen uit bezit van buitenlandse adel. De krachten van individuele Nederlandse kunstliefhebbers werden daarom in 1883 gebundeld in de Vereniging Rembrandt, die sindsdien vele aankopen mogelijk maakte, waaronder de volgende twee Vermeers voor het Rijksmuseum: De Liefdesbrief en Het Melkmeisje. Henri Deterding, medeoprichter van Koninklijke Olie/Shell en een van de weinige Nederlandse zakentycoons die financieel kon meekomen met de Amerikanen, schonk in 1921 Het Straatje aan het Rijksmuseum, de vierde Vermeer.

In Praise of Painting is een overzichtelijke tentoonstelling. De zaalteksten zijn beknopt, maar informatief. Een kniesoor zou hooguit kunnen opmerken dat het heldhaftige beeld dat ‘The Met’ schetst van de Hollanders in de Gouden Eeuw enigszins clichématig is. De uitgebreide audioguide bij de individuele werken, waarop verschillende experts aan het woord komen over het uitzonderlijke van de Hollandse schilderkunst, biedt daarentegen verrassende perspectieven.

In een thematische indeling vergelijkt het museum 67 werken van verschillende kunstenaars en brengt daarbij tegenstrijdige opvattingen uit de Gouden Eeuw over doel en functie van schilderkunst tot leven. Een van de aardigste confrontaties is die tussen Rembrandt en Gerard de Lairesse. Rembrandt schilderde het gezicht van De Lairesse met zijn misvormingen en blijkt ook zichzelf niet gespaard te hebben op onflatteus zelfportret. De Amerikanen prefereren De Lairesses opvatting dat de geportretteerde zo gunstig mogelijk weergegeven moet worden. Rembrandts realisme wordt gekarakteriseerd als ‘unforgiving realism’.

    • Ariette Dekker