Opinie

Intimidatie en treiterij

Column Handhaving van wetenschappelijke integriteit kan een speelbal worden van persoonlijke belangen en maatschappelijke conflicten. bindt de strijd aan met een groeiende groep verongelijkte lobbyisten die niet wensen te worden tegengesproken.
Harald Merckelbach

Heel goed dat universiteiten commissies hebben die waken over de wetenschappelijke integriteit. Daar kan iedereen een klacht deponeren als het vermoeden rijst dat een onderzoeker plagieert of met gegevens sjoemelt. Per slot van rekening wordt het universitaire bedrijf voor een aanzienlijk deel gefinancierd met gemeenschapsgeld. Allicht moet de samenleving ervan op aan kunnen dat wetenschappelijk onderzoek solide is. Zodra daar twijfels over ontstaan, behoren wetenschappers tekst en uitleg te verschaffen. Allemaal prima.

Het is minder prima als dergelijke commissies worden misbruikt om belangen veilig te stellen. Voorbeeld, echt gebeurd. Een geheugenonderzoeker bestudeert op verzoek van een rechter-commissaris de belastende verklaringen die een jong meisje over haar pleegvader – de verdachte – aflegde. Kloppen de nare herinneringen die zij over de verdachte vertelt? Of zijn er op grond van de geheugenpsychologie kanttekeningen bij te plaatsen? Daarover wil de rechter-commissaris uitsluitsel hebben.

De onderzoeker komt in zijn rapport tot de conclusie dat er alle reden is om het verhaal van het meisje serieus te nemen. Dat is natuurlijk slecht nieuws voor de verdachte en zijn advocaat. Er wordt een datum vastgesteld voor de rechtszitting. De onderzoeker is opgeroepen als getuige-deskundige om de rechtbank voor te lichten.

Klaagschrift

Nog voor zitting dient de advocaat een klaagschrift in bij de vertrouwenspersoon van de universiteit waaraan de onderzoeker is verbonden. De onderzoeker heeft met zijn rapport de wetenschappelijke integriteit ernstig geschonden, aldus de advocaat. Of de vertrouwenspersoon maar even een procedure wil starten tegen de onderzoeker. Maar dat moet, zo benadrukt de advocaat, met het oog op de belangen van de verdachte in alle discretie gebeuren.

De vertrouwenspersoon neemt de klacht in behandeling en vraagt de onderzoeker om verantwoording af te leggen. Dat doet de onderzoeker braaf en uiteindelijk komt de vertrouwenspersoon tot de slotsom dat er geen vuiltje aan de lucht is. Maar het kost wel allemaal tijd en energie en destabiliseert de wetenschapper in zijn rol van getuige-deskundige. De vraag is hier of zo’n vertrouwenspersoon ongewild meewerkt aan het nodeloos compliceren van de rechtsgang.

Ander voorbeeld. Een gedragswetenschapper publiceert in een vakblad een artikel over conflictscheidingen. Haar artikel laat aan de hand van cijfers zien dat juristen en hulpverleners daarover nogal eens aanvechtbare opvattingen hebben: ze onderschatten vaak de mate waarin partnergeweld een rol speelt en overschatten het risico op valse aangiften van kindermishandeling.

Dagen zoet met verweer

Die boodschap is niet naar de zin van een aantal ervaringsdeskundigen, vaders die een conflictscheiding achter de rug hebben. Maar in plaats van een commentaar op het artikel te schrijven, dienen ze een klacht in tegen de auteur en wel bij de integriteitscommissie van haar universiteit. De commissie neemt de klacht in behandeling en de wetenschapper is dagen zoet met het schrijven van een verweerschrift. De wetenschapper, zo stelt de commissie aan het einde van de rit vast, valt geen verwijt te maken. De klagers gaan zich ondertussen op het internet te buiten aan het gooien van digitale stoeptegels naar de wetenschapper. Vraag is of de integriteitscommissie de klagers, door ze serieus te nemen, daarin onbedoeld heeft aangemoedigd.

Intimidatie als stijlfiguur

Hoe vaak dit type treiterij voorkomt, weet ik niet. Het zou me niets verwonderen als het toeneemt. Intimidatie als retorische stijlfiguur is niet langer voorbehouden aan schorriemorrie, maar maakt ook school onder gestudeerde mensen in nette pakken. Neem Tweede Kamerlid Thierry Baudet, toch niet van de straat. Toen weerman Gerrit Hiemstra wat vraagtekens plaatste bij de excentrieke opvattingen van Baudet over klimaatverandering, riep de parlementariër op tot het ontslag van Hiemstra. Zo doe je dat dus, denken zijn bewonderaars.

In de Verenigde Staten is intimidatie van wetenschappers al langer een probleem. Berucht zijn de integriteitsprocedures van lobbyorganisaties als de National Rifle Association tegen wetenschappers. Het gaat om wetenschappers die sceptische artikelen publiceerden over de zaak waarvoor deze belangenbehartigers staan. Het uitsluitende doel van hun chicanes is om zulke wetenschappers de mond te snoeren.

Dit is het dilemma waarvoor integriteitscommissies van universiteiten kunnen komen te staan: enerzijds wil je klachten over integriteitsschendingen serieus nemen, anderzijds wil je niet medeplichtig worden aan het muilkorven van wetenschappers. De Amerikaanse oplossing voor dit probleem zijn regels over abuse of procedure. Ze verbieden misbruik van klachtenprocedures om onafhankelijke wetenschappers het zwijgen op te leggen. Het zou goed zijn als Nederlandse universiteiten studie maken van dit soort regels. Want wie toestaat dat de wetenschap wordt geïntimideerd door belangenbehartigers loopt het risico dat haar beoefenaars niet langer bereid zijn zich uit te laten over heikele onderwerpen.

De groep van verongelijkte lobbyisten die in hun stellige opvattingen niet wensen te worden tegengesproken lijkt te groeien. Het is een kwestie van tijd voordat ze volop de weg naar de universitaire integriteitsommissies weten te vinden. Daarom zijn regels over abuse of procedure belangrijk.

Harald Merckelbach is hoogleraar rechtspsychologie aan de Universiteit Maastricht.