Recensie

Recensie Boeken

Hoe stel je de toekomst van je kinderen veilig?

Suzan Hilhorst In haar fictiedebuut voert Hilhorst, auteur van het autobiografische verhaal Sara en Liv, via twee verhaallijnen twee jonge mensen op die nader tot elkaar komen en die de lezer via flashbacks steeds beter leert kennen.

Als in een warme herfst de natuur plotsklaps ontluikt, pakt vader snoeischaar, schop en hark en legt haar hardhandig het zwijgen op. Geen fratsen, hij is heer en meester en bepaalt wat er in de borders en ver daarbuiten gebeurt. Zoon Martijn, een van de hoofdpersonen in Eclips van Suzan Hilhorst, is de weg kwijt als zijn vaders geest door een vroege Alzheimer-variant aan het dwalen slaat. Met een gehuurde bestelbus moet hij de bezittingen van vader naar een tehuis brengen. ‘Ga rechtdoor’, maant zijn Tomtom. ‘We zullen doorgaan’, zingt Ramses Shaffy intussen. Probeer niet om te keren, dat heeft geen zin, de enige weg loopt vanaf hier strikt rechtuit. Of toch niet?

Familie, afkomst, alternatieven en ouders die hun kind veilig willen stellen ten koste van alles, zelfs van zichzelf: daar draait het om in deze roman. Eclips is het fictiedebuut van Suzan Hilhorst (1978), die in 2017 meer dan tienduizend exemplaren verkocht van haar schrijnende autobiografische verhaal over het verlies van haar pasgeboren dochtertjes, getiteld Sara en Liv. Hilhorsts ideeën in deze roman zijn goed, maar de uitwerking is nog wel pover.

Eclips heeft twee hoofdpersonen en twee verhaallijnen. Afwisselend volgen we Martijn in het getob met zijn vader en Sofie, op pad naar een haar onbekende grootmoeder die haar kind, Sofies moeder, bij geboorte afstond. Beiden zijn zelf nog jong, ze staan op de overgang van alleen maar kind van ouders zijn naar zelf ouders kunnen worden, en beiden vragen zich af wie ze zijn en kunnen worden, naar aanleiding van onthullingen over hun afkomst. Steeds is het de vraag of, hoe en wanneer hun verhaallijnen elkaar raken. Dat is geraffineerd aangepakt; het blijft je benieuwen.

Middels flashbacks leren we de achtergrond van de personages kennen, maar die blijven toch nogal vlak. Martijn en Sophie zijn weinig uitgesproken personages. Er is ook weinig onderscheid tussen beiden in de manier waarop ze zich uiten en gedragen, in de wijze waarop hun avontuur is geboekstaafd. Emotie komt niet over en is soms slordig verwoord: ‘Er kwam een soort waas voor mijn ogen. [...] Ik wilde van alles schreeuwen, maar was zo boos dat ik alleen mijn mond opende om er een soort van aaaaargh uit te gooien.’ Dat herhaalde ‘een soort van’ is erg lelijk en zwakt af wat er staat.

Om vaart te maken en urgentie te laten doorklinken kiest de auteur dikwijls voor een staccato, een telegramstijl van korte zinnen zonder subject of gezegde. ‘Rustig op de weg’, staat er dan. ‘Ineens harde muziek.’ ‘Geen uitleg, niets.’ Of simpelweg: ‘Spijt. Schaamte.’ Het is modieus en het is jammer, net als onbedoelde paradoxjes zoals deze: ‘Haar ogen schoten vol. Ik schrok [...]. Er lag een kalm verdriet in haar ogen. Een leegte die ze jaren verborgen had gehouden.’ Is het nu plotseling volschieten of kalmweg allang leeg zijn? Dit verwart nodeloos.

Gelukkig staan er sterke passages tegenover, zoals de indringende beschrijving van een eclips op een Roemeens strand. Het thema waar Hilhorst over wilde schrijven – wie zijn we anders dan onze omgeving – en haar vragen naar alternatieve werkelijkheden, krijgen daar verdieping.