Recensie

Recensie

Het slijk der aarde kan een regelrechte goudmijn zijn

Recensie Baggergeschiedenis: gelovige families, ingenieuze machines. En veel fusies en overnames.

Rijswerkers op fort Rammekens in Zeeland (1933).
Rijswerkers op fort Rammekens in Zeeland (1933).

Zijn baggeraars brave mannen? Je zou het wel zeggen, na lezing van De Grondleggers. Dit boek vertelt het verhaal van de Nederlandse baggerbedrijven, hun mensen en machines. De mannen zijn langdurig en ver van huis. Tegenwoordig in Dubai en Singapore, vorige eeuw bij Deltaplan en Zuiderzeewerken. Stoer, zwaar werk. Als er naast de slepers op de wereldzeeën iets is dat Hollands Glorie verbeeldt, dan is het baggeren.

Auteur Joke Korteweg biedt een inkijkje in het baggermannenleven. Ten tijde van de afsluiting van de Zuiderzee, een jaar of negentig geleden, mochten de baggermannen om de vier of zes weken naar huis. Met een oud passagiersschip naar Medemblik. Dan in een speciale trein naar Sliedrecht. Sommigen hadden vier weken op een baggermolen gezeten. „Iedereen had natuurlijk een fles in z’n zak, dus dat was doorpimpelen hoor”, citeert ze een steenzetter. In Amsterdam kwamen muzikanten in de trein. In Sliedrecht was de kroeg soms de laatste halte. Maandagochtend half zeven stapte iedereen weer in de trein noordwaarts.

Hoogleraar Jan de Koning omschreef baggeren in 1978 zo: „Historisch gezien is het uitvoeren van baggerwerken een doe-activiteit met een kermisachtig karakter.” Dat kermisgevoel en het dagelijks leven van de ‘kermisklanten’ komen er wat bekaaid af in een boek dat verder een afgewogen beeld schetst van een Zuid-Hollandse enclave van gelovige families en familiebedrijven die met steeds grotere machines steeds imposantere baggerkarweien opknappen. Korteweg mijdt heikele onderwerpen (economische collaboratie in de Tweede Wereldoorlog; geld verdienen met opzetjes bij aanbestedingen) niet, maar is geen scherpslijper.

Aartsvaders

Aanleiding voor De Grondleggers is het 150-jarig jubileum, vorig jaar, van familiebedrijf Van Oord. Omdat het concern in de loop der jaren een reeks kleine en grote baggerbedrijven heeft overgenomen, heeft Korteweg het onderwerp verbreed tot een sectorgeschiedenis. Tussen de bedrijven en chronologische hoofdstukken door schetst ze portretten van zes aartsvaders c.q. sleutelfiguren.

Het beeld dat uit het boek oprijst is dat van een bedrijfstak met traditioneel werkende, wat conservatieve ondernemingen, meestal familiebedrijven. Maar wél bedrijven die al in de 19de eeuw over de hele wereld zaken deden. En ook bedrijven die vanuit hun gereformeerde thuisbasis hun personeel in het buitenland geestelijke bijstand gaven, na 1965 in de persoon van een heuse ‘baggerdominee’ die de grote werken aandeed.

Een voordeel van het familiebedrijf is dat zeggenschap én winst niet met buitenstaanders gedeeld hoeven worden. Dat slijk der aarde kon een regelrechte goudmijn zijn. Jan Kraaijeveld, een uitvoerder én vennoot aan het eind van de 19de eeuw in een van de baggercompagnieën die als financiers optraden, kon op z’n 39ste gaan rentenieren.

Familiebedrijven kennen twee nadelen. Eén: expansiemogelijkheden zijn altijd beperkt door de schaarste van hun eigen kapitaal c.q. winst die als kapitaal ingezet kan worden. Twee: is er voldoende ondernemerschap in eigen kring? Of gaat de familie door met incapabele directeuren omdat ze nu eenmaal familie zijn?

Vanwege die nadelen werkten bedrijven graag samen bij grote projecten. Zo spreidde men financiële en personele risico’s en konden bedrijven hun dure materieel effectiever inzetten. Want 150 jaar baggeren is ook een permanente wapenwedloop om het reusachtig speelgoed, zoals Korteweg het ergens noemt, op de juiste plaats te krijgen. Toys for the boys.

In de loop van het boek zie je de prijzen stijgen. In 1858 kostte het paradepaardje Stoombaggermolen No 1 60.000 gulden. Jumbosleepzuiger HAM 318 , onmisbaar in elke baggervloot, had in 1999 een prijskaartje van 220 miljoen gulden. Het unieke wandelende baggereiland Simon Stevin spande met ruim 400 miljoen gulden de kroon. Het staaltje vernuft, bijgenaamd Kameel, eindigde roemloos op de schroothoop. Er was geen emplooi voor.

De Kameel was het slachtoffer van de genadeloze varkenscyclus. In goede tijden liet iedereen nieuw materieel bouwen dat bij de neergang erna stil kwam te liggen en verliezen veroorzaakte. Toen de Zuiderzeewerken waren voltooid, was de baggervloot tweeëneenhalf keer zo groot, te groot voor de reguliere opdrachten. Fusies en overnames van bedrijven en materieel zijn dan ook regelmatig ‘moetjes’. Het moet van de bank. Het moet van beleggers. Het moet van de familie om het kapitaal te redden. Vóór in het boek staan stambomen van de overgebleven grootmachten Boskalis en Van Oord. Daaraan kun je zien wie ze in de loop der decennia hebben opgeslokt.

Reddingsactie

Ergens in de loop van de jaren tachtig is het karakter van de baggerbedrijven drastisch veranderd. Baggeraars, ook wel de ‘natte aannemerij’ genoemd, versmelten met bouwconglomeraten. En het technisch-industriële karakter van de baggeraars wordt overvleugeld door financieel-industriële motieven. Boskalis gaat in 1984 bijna failliet door een gaspijplegproject in Argentinië, een echec dat het boek met een paar woorden afdoet. De redding komt van buitenstaanders: de Rotterdamse familie Van der Vorm (investeringsmaatschappij HAL) en de Amsterdamse verzekeraar Delta Lloyd.

Rond de eeuwwisseling, als de economie piekt, zie je vijandige overnames, grensoverschrijdende fusies en debacles in baggerwereld. Daar slaat Van Oord zijn slag met de financieel gewaagde overname van de samengevoegde baggerbedrijven van Volker Stevin en Ballast Nedam. In 2014 staat het ook vooraan om kroonjuwelen van het uitgeputte Ballast Nedam te kopen. Bij Van Oord zat niet alleen baggeren in het bloed, ook koopmanschap.