Recensie

Recensie Muziek

Hallucinante ode aan de Amsterdamse school

Onder de Britse componist-dirigent George Benjamin bracht het Concertgebouworkest een muzikale ode aan Gaudí en de Amsterdamse School in een concert met beeldprojecties.

Gaudí en de architecten van de Amsterdamse School: ze kenden elkaar niet of nauwelijks en toch vertonen hun ontwerpen frappante gelijkenissen, zoals natuurlijke vormen, golvende en bollende gevels, organische ornamentiek.

Onder leiding van de Britse componist-dirigent George Benjamin bracht het Concertgebouworkest ze deze week een muzikale ode in een concert met beeldprojecties: Barcelona en Amsterdam 1919.

De Nederlandse componist Christiaan Richter (1990) vernoemde zijn premièrewerk Wendingen naar het gelijknamige tijdschrift van de Amsterdamse School. Tijdens het schrijven van de partituur werkte hij nauw samen met het multimediacollectief WildVreemd, dat uit typerende stijlelementen van Amsterdamse architecten als Michel de Klerk (1884-1923) een animatiefilm destilleerde en die haarfijn toesneed op de muziek.

En hoe: klank en beeld versterkten elkaar in een hallucinante symbiose. Op een groot scherm pulseerden rondwentelende spiraalmozaïeken spatgelijk op Richters hypergelaagde orkestraties. Terwijl welvende strijkersfaçades en houtornamenten zich in het orkest rond robuuste koperpartijen plooiden, pakte WildVreemd uit met wonderlijke schoorsteenvogels en vliegende schotels van baksteen en vensterglas. Alsof een bouwkundige stevig aan de LSD had gezeten.

Pizzicato-battle

Van de Barcelonese componist Blai Soler (1977) klonk het orkeststuk Sol, in dit geval te vertalen als de toon ‘g’.

Soler hing er een keur aan klankvondsten aan op: mat glanzende kopermengsels, een knallende pizzicato-battle in bassen en celli, zilverige houtakkoorden, blèrende tutti’s. En toch, ondanks de vernuftige orkestraties overheerste de indruk van een wat fragmentarisch mozaïek. In architectonische termen: prachtige materialen, maar de constructie kraakte.

Ook dirigeerde Benjamin zijn eigen Dream of the Song, een liederencyclus voor countertenor, vrouwenkoor en orkest op middeleeuwse Andalusische poëzie en gedichten van García Lorca. Dat het werk grossiert in klankmixturen zoals alleen een meesterorkestrator als Benjamin ze kan bedenken, bleek al in 2015, toen het Concertgebouworkest de wereldpremière verzorgde.

De sensueel krullende melodielijnen van de solopartij (feilloos vertolkt door Bejun Mehta) vonden donderdag een visuele tegenhanger in het werk van de Londense kunstenaar Oliver Harrison. Diens typografische animaties bleken een sprookjesachtige mix van Arabisch getinte kalligrafie, plantenmotieven en art nouveaupatronen. Jammer dat het slechts korte intermezzo’s tussen de liederen betrof, waardoor een daadwerkelijke synthese uitbleef.