Recensie

Recensie Boeken

Een worstelcompetitie voor worstelende lezers

Gabe Habash Een matig getalenteerde sportman wil het gaan maken en vraagt een beurs aan. In dit soms meeslepende romandebuut van de Amerikaan Habash domineren een rauwe verteller, fictieve wedstrijden en een eigenaardige relatie.

Het is niet eenvoudig gebleken een roman te schrijven over een sporter, fictie dus, waarin een deel van de ontwikkeling van het verhaal via de beschreven wedstrijden verloopt. De lezer moet zich een voorstelling maken van een sportgebeurtenis die nooit heeft plaatsgevonden behalve in het brein van de auteur, dus waarin het spanningselement moeilijk zal zijn op te roepen. Niet voor niets lijkt het genre van de literaire journalistiek juist hiervoor zo ongeveer te zijn uitgevonden, want daar gaat het over krachtmetingen die werkelijk hebben plaatsgehad en waar men zich de beelden bij kan herinneren. In de romanvorm lukt het alleen wanneer de fictieve ontwikkeling van de sportcarrière ondergeschikt wordt gemaakt aan het werkelijke verhaal, of daar als het ware symbiotisch in meegaat.

Een van de beste recente voorbeelden is van Chad Harbach (De kunst van het veldspel, honkbal), maar ook Ross Raisin (Een natuurtalent, voetbal) en Willy Vlautin (Laat me niet vallen, boksen) deden geslaagde pogingen. En vergeet Alan Sillitoe’s The Loneliness of the Long-Distance Runner niet.

Gabe Habash heeft het zich wat dat betreft met zijn debuut niet gemakkelijk gemaakt. Zijn hoofdpersoon is Steven Forster, die zich voor het gemak de naam Stephen Florida laat aanmeten om een sportbeurs in het onooglijke Oregsburg, North Dakota te verwerven. Een beloftevolle worstelaar die maar niet het provinciale niveau wil ontstijgen. Daarvoor is zijn persoonlijkheid te complex, zijn achtergrond te beladen, en misschien ook zijn talent niet groot genoeg.

We volgen Stephen in zijn relaas over zichzelf als worstelaar, student, ongemakkelijke minnaar. Hij is wees en zijn oma die hem opvoedde is overleden. ‘Tegenwoordig hou ik alles voor mezelf. Ik schaaf en spijker het alleen in mijn eigen gedachten bij.’

Stephen is vastbesloten kampioen te worden. Of dat ook gebeurt blijft lang de vraag. Maar waardoor Stephen Florida blijft boeien is de onvoorspelbare, soms woedende, soms gelaten toon van de verteller, waarbij ook zijn onaangename karaktertrekken niet onvermeld blijven.

De onvoorspelbare associaties lezen soms als een traktatie. Maar Habash heeft goed begrepen dat een rauwe verteller en een reeks fictieve wedstrijden niet voldoende zijn om een roman te dragen. En zo komt het boek pas goed op stoom als Stephen een relatie ontdekt tussen een coach en een bevriende worstelaar.

De worstelcompetitie wordt uitgebreid beschreven, tekst die nauwelijks aan het verhaal bijdraagt en je daarom als niet-kenner alleen maar kunt anlesen. En als ook de apotheose zich in zo’n fictief gevecht voltrekt, is het moeilijk daar spanning of empathie bij te voelen. Habash eindigt dan wel met een cliffhanger op het relationele niveau, maar heeft de lezer net te weinig informatie gegeven om hem/haar werkelijk nieuwsgierig te maken. In besprekingen van de roman wordt Stephen Florida een hedendaagse Holden Caulfield uit Salingers klassieker Catcher in the Rye genoemd. Ondanks alle verdiensten van dit soms meeslepende boek lijkt dat me iets te veel eer.