Een leven lang getoetst. Waarom eigenlijk?

Onderwijs Er wordt wat afgetoetst in een jong leven, en niet iedereen is daartegen bestand. Zowel leraren als leerlingen vinden vaak dat het onderwijs van cijfer naar cijfer hobbelt.

Beeld: NRC

In groep 4 kreeg Amber (12) in de gaten dat de Cito-toetsen die ze sinds groep 1 maakt ook echt belangrijk zijn. En toen begon het: buikpijn, hoofdpijn, paniekaanvallen. „Ze wilde zelfs een keer de klas niet in”, zegt haar moeder, Cherifa El Ouarti. „Haar zelfvertrouwen was zo beschadigd. Het lukt toch niet, zei ze.” De methodetoetsen gingen wel altijd goed.

Amber kreeg bijlessen, maar die zorgden niet voor meer zelfvertrouwen. „Als ik er niet uitkwam bij een vraag kreeg ik een black-out”, zegt ze. „Dan moest ik huilen.” Ze gelooft niet dat de toetsen bedoeld zijn om te testen of de juf het goed doet, zoals ze haar vertelden. „Je kan niet naar de school die je wil als je de toetsen slecht maakt.”

De juf stuurde Amber naar een faalangsttraining. In de laatste les moest ze een presentatie houden over zichzelf. „Maar ik vond dat heel eng. Ik heb me verstopt op de wc. Toen heeft de juf het voor mij gepresenteerd.”

Er wordt wat afgetoetst en geëxamineerd in een jong leven, en niet iedereen is daar even goed tegen bestand. Leerlingen werken zich langs tempo-, avi-, rekenmethode en Citotoetsen op de basisschool. Langs schriftelijke overhoringen, so’s, proefwerken, school- en eindexamens op de middelbare school. Als studenten maken ze toelatingstoetsen, tentamens, tussentoetsen en papers. En als sollicitant doen ze assessments en intelligentietesten. „Ik heb in mijn leven wel 450 toetsen gedaan”, berekende Thijmen Jessen (26), die nu als kersverse consultant terugkijkt op een leven vol proeven.

„Van kleins af aan word je getoetst en geselecteerd”, zegt Carline van Breugel, voorzitter van de Landelijke Studentenvakbond. „In het hoger onderwijs is alles afhankelijk van schriftelijke tentamens, waar mensen hun zelfbeeld van laten afhangen. Een onvoldoende is iets waar men zich voor schaamt.”

Ik heb me verstopt op de wc

„We toetsen waanzinnig veel”, zegt ook Huub van den Bergh, hoogleraar taalbeheersing aan de Universiteit Utrecht. „De scholen zitten vanaf de vierde klas vast aan hun programma van toetsen en examens, waarbij een toets soms maar voor 5 procent meetelt voor het eindcijfer. Als je dat vergelijkt met omliggende landen is het absurd. Is het ook goed onderwijs? Dat is de vraag.”

Concurrerende leraren

Er is sprake van een tegenbeweging. Zo schafte het huidige kabinet de kleutertoets af en voor de rekentoets is voorlopig een 4 genoeg. Sinds 2015 wordt de eindtoets voor de basisschool pas na het schooladvies gemaakt. Maar de neiging tot „toetsen, toetsen, toetsen” bestaat nog altijd, zegt René Kneyber, docent wiskunde en auteur van diverse onderwijsboeken, zoals Toetsrevolutie. „Dat zie je aan de klachten van leerlingen en studentenorganisaties over prestatiedruk. En veel ouders, zeker in de onderbouw, klagen over de toetsroosters van hun kind. Ze hebben meerdere toetsen per dag, soms wel veertig toetsen per rapportperiode.”

Lees ook: De rekentoets komt terug. De kritiek erop ook

Voor leraren op de middelbare school zijn toetsen een manier om leerlingen bij de les te houden: let op, dit is voor de toets! Met een proefwerk geven ze gewicht aan hun vak en concurreren ze met collega’s. Een veelgehoorde klacht onder leerlingen is: docenten denken alleen maar aan hun eigen vak, ze houden geen rekening met de rest van het rooster. Leraren klagen juist over ongeïnteresseerde leerlingen die alleen opletten wanneer iets voor een cijfer telt.

„Ik ben bang dat we met elkaar, scholen, leerlingen, maar ook papa’s en mama’s, een wereld hebben gecreëerd waar het moeilijk uitstappen is”, zegt Bart de Grunt, rector van het Rembrandt College in Veenendaal. Zijn school is bezig met ‘formatief toetsen’: een toetsvorm die niet de kennis van dat moment test, resulterend in een cijfer, maar de ontwikkeling van de leerling ten opzichte van zijn of haar eerdere capaciteiten. „Aan het begin van het schooljaar kwamen er telefoontjes: jullie zijn al zeven weken bezig maar er staat nog geen cijfer in Magister [leerlingvolgsysteem, red.] Gaat het wel goed? We willen met z’n allen van die toetsdruk af, maar tegelijkertijd hebben we hem nodig. Het is lastig te doorbreken.”

Ik ben bang dat we met elkaar, scholen, leerlingen, maar ook papa’s en mama’s, een wereld hebben gecreëerd waar het moeilijk uitstappen is

Ook het Amsterdamse Vossius Gymnasium stapte deels over op formatief toetsen. Het aantal cijfers in de bovenbouw is met zeker eenderde teruggebracht, tot maximaal negen per vak in leerjaar vier en zes per vak in leerjaar vijf. „We wilden de toetsdruk verlagen. Zodat er weer meer aandacht komt voor de gewone les en het verwerken van de stof, in plaats van alleen voor cijfertjes halen”, zegt rector Jan van Muilekom. „Zowel leerlingen als docenten hadden het gevoel vooral van toets naar toets te hobbelen. Dit is het eerste jaar van invoering, we houden het verloop van het cijferbeeld goed in de gaten.”

Het vreemde aan de huidige toetspraktijk, zegt René Kneyber, is dat veel scholen niet nadenken over de vraag waarom ze eigenlijk toetsen. „Toetsprogramma’s moeten op die vraag gericht zijn. Bijvoorbeeld: ben je een havo- of een vwo-leerling? Weet je voldoende om over te gaan naar het volgende leerjaar? Je moet je afvragen welke beslissing je moet nemen en welke informatie je daarvoor nodig hebt. Het probleem is dat het op veel scholen aan toetsdeskundigheid ontbreekt.”

Te streng over cijfers

Leerlingvolgsysteem Magister, waar met pijltjes wordt aangegeven of een gemiddelde stijgt of daalt, versterkt de toetsdruk. „Dat maakt elke toets zwaarwegender, want je ouders kijken mee”, zegt Kneyber. „Soms weten ouders het cijfer zelfs eerder dan een leerling zelf. Ik vind dat pedagogisch heel onwenselijk.”

De school van Ties Sluijter (17, havo-4) in Bilthoven heeft geen Magister, maar een soortgelijk systeem. Zijn ouders kijken er niet op. „Ze geven mij het vertrouwen. Als ik een slecht cijfer heb, vertel ik het en neem ik een maatregel. Maar ik ken ook ouders die wel strikt naar cijfers kijken.” Hij vindt dat sommige ouders te streng zijn over cijfers. „Die reageren best heftig op een vijf, dan moet iemand bijvoorbeeld eerder thuis zijn. Terwijl de meeste mensen wel gewoon hun best doen. Zij vinden het ook niet fijn om te blijven zitten.”

Leren moet je leren, zegt hij. „In de onderbouw van het vmbo waren er veel opdrachten. En je moest toetsen leren. Ik had er moeite mee dat te mixen. Je bent best jong, dan is het veel in één keer.”

Soms weten ouders het cijfer zelfs eerder dan een leerling zelf. Ik vind dat pedagogisch heel onwenselijk

Na het middelbaar onderwijs begint een nieuwe toetscyclus. Wie aan een van de 97 studies met een numerus fixus wil beginnen, moet vaak al een klein toelatingsexamen doen, voor de studie geneeskunde bijvoorbeeld. In het hoger onderwijs kunnen studenten niet meer een vak afsluiten met het stampen voor een enkel tentamen. Om de slagingskans te vergroten, geven grote opleidingen voortdurend opgaven en opdrachten tussendoor. Omdat studenten reclameren tegen onvoldoendes of te lage cijfers, moeten die steeds duidelijker worden verantwoord. De overheid wil aan de hand van harde cijfers weten of een instelling voldoende presteert. Examencommissies, inspectie, accreditatie – controleerbaar en zo eerlijk en gelijk mogelijk voor iedereen is het doel. Bij de universiteit levert dat veel extra papierwerk op met soms drie docenten die een scriptie of examen moeten nakijken. In de hogescholen wordt gewerkt aan de invoering van een Basiskwalificatie Examinering voor examinatoren.

„Er zijn goede redenen voor het toenemen van het hoge aantal toetsmomenten aan de universiteit”, zegt Renée Filius, onderwijskundig onderzoeker en hoofd onderwijsbeleid aan de Universiteit Utrecht. „Met tussentijdse toetsmomenten worden studenten gemotiveerd om te blijven leren.” Dat scheelt volgens haar stress, omdat het resultaat van een semester niet van één enkele tentamenreeks afhangt, die dan pas na lange tijd weer kan worden overgedaan. „Aan de universiteit van Cambridge heb je maar één of twee keer per jaar een tentamen en krijg je tussentijds weinig zicht op hoe je het doet”, zegt ze.

Studenten worden dus gedwongen om eerder aan de slag te gaan. „Ik denk dat de zesjesmentaliteit aan het verdwijnen is”, zegt Sirra Alofs, bestuurslid van de Interstedelijk Studentenoverleg. „Dat is het gevolg als instellingen worden afgerekend op het bachelorrendement.” Carline van Breugel, voorzitter van studentenvakbond LSVB, maakt zich zorgen over de toenemende populariteit van zogenoemde learning analytics, waaraan docenten kunnen aflezen hoe lang iemand is ingelogd op een opdracht of hoe kort voor het college een opgave is gedownload.

Onderwijskundige Martijn Leenknecht van de hogeschool Zeeland en verbonden aan het Platform Leren en Toetsen voor hogescholen, zegt dat er een „feedbackcultuur” moet ontstaan, „waarin studenten kunnen nagaan hoe ze het doen en waar ze zich kunnen verbeteren. Toetsen suggereren dat je iets afsluit. Als je een 6 hebt, leg je de boeken weg en begin je aan iets anders. Maar je kunt van de gemaakte fouten ook leren.” Er zijn vele vormen zoals papers, portfolio’s, onderzoeksopdrachten, vaardigheidstoetsen.

Lees ook: Laat je kind ook eens blunderen

Vooroordeel van de leraar

Gestandaardiseerde testen en toetsen hebben een groot voordeel, vindt Rob Meijer, hoogleraar psychometrische en statistische techniek aan de Rijksuniversiteit van Groningen. „Je kunt makkelijker vergelijken”, zegt hij, „en minderheden hebben daar voordeel bij. We weten uit de psychologie dat indrukken gevaarlijk zijn. Het vooroordeel van de leraar leidt er vaak toe dat een Marokkaanse Nederlander toch een niveautje lager wordt geplaatst.”

Dat overkwam Nihed Harrak (20) toen ze op de basisschool zat. Haar ouders komen uit Marokko, zij niet. „Ik wilde graag via de havo en het hbo naar de universiteit. Maar in groep 8 kreeg ik een vmbo-t-havo advies”, zegt ze. „De docent heeft nooit gezegd waar het aan lag. Dat vond ik een beetje raar. Maar ik haalde een goede citoscore en daarmee bewees ik dat ik direct naar het vwo kon. ‘Lekker puh’, dacht ik.”

Ze studeert nu kunstmatige intelligentie aan de Vrije Universiteit van Amsterdam. Omdat ze meer dan een 7,5 gemiddeld heeft, zit ze in het excellentieprogramma, met extra vakken.

Gestandaardiseerde toetsen zijn onderdeel van de meritocratie, waarin grote massa’s mensen worden geselecteerd op talent en verdienste in plaats van op afkomst. Michael Young, de bedenker van het woord meritocratie, constateerde al in zijn dystopie The Rise of the Meritocracy uit 1958 dat adviezen van leraren „minder eerlijk zijn voor kinderen uit lagere klassen”. „Iedere keer als de autoriteiten werden geconfronteerd met een nieuwe oogst van kinderen”, schreef hij, „moesten ze een manier vinden om het kaf van het koren te scheiden. Hoe? Als ze intelligentietesten zouden afwijzen, zouden ze terugvallen op gewone geschreven examens en als ze geschreven examens afwijzen, zouden ze terugvallen op verslagen van leraren. Dan zouden ze nog grotere problemen hebben.”

Als een student een graad heeft gehaald, volgen er vaak nieuwe proeven bij de sollicitatie. Volgens psycholoog Meijer is bij sollicitaties de behoefte aan testen groter omdat het onderwijs minder selectief is geworden. Het percentage leerlingen aan havo en vwo neemt toe van een derde naar de helft van het totaal – en die stromen vaak door naar het hoger onderwijs. Volgens de vereniging van universiteiten VSNU is sinds het jaar 2000 het aantal studenten aan de universiteit met 68 procent gegroeid. Opleidingen die studenten vlot laten doorstromen, krijgen extra geld. Veel afgestudeerden dus, die extra selectie behoeven. Voor het beroep van rechter bijvoorbeeld. „Vroeger waren afgestudeerden in de rechten homogener. Nu betekent een studie Nederlands recht niet meer dat je bijvoorbeeld foutloos kunt schrijven. Dat betekent dat er bij de selectie voor rechters extra toetsen moeten worden gemaakt”, zegt Meijer, die hierover advies geeft. Intelligentietesten hebben volgens hem meer voorspellende waarde dan persoonlijkheidstesten.

Vroeger waren afgestudeerden in de rechten homogener

Unilever onderwerpt zijn vele sollicitanten aan online games en testen, voor ze worden uitgenodigd voor een gesprek of assessment (beoordeling). Veel sollicitanten worden in die fase al afgewezen. Op de site Glassdoor, waar sollicitanten hun ervaringen delen, wordt gemengd geoordeeld over Unilever. „Alle spelletjes zijn goed te doen. Indien je naar behoren scoort, word je uitgenodigd voor een digital interview”, schrijft een afgewezen sollicitant. Een ander: „Zeer onpersoonlijke aanpak van Unilever.”. Een derde afgewezen sollicitant spreekt van „een positieve sollicitatie-ervaring”. Hij had de online testen gehaald, maar werd op grond van het daarop volgende gesprek afgewezen. Hem werd al vrij snel duidelijk uitgelegd waarom.

Sollicitanten hebben volgens Meijer het liefst een gesprek waarin ze kunnen laten zien waarvoor ze geschikt zijn. Werkgevers praten ook graag met een sollicitant. Het maakt hen niets uit dat zo’n gesprek weinig zegt over het functioneren op het werk. Van iemand die een goed gesprek had gehad met een sollicitante, hoorde Meijer: „Ik heb die vrouw echt leren kennen.” Maar wat voor belangrijke informatie heb je gekregen, vroeg Meijer. „Dat was minimaal.”

Overslaan

Een van de redenen dat Amber (12) zo gestresst raakte van de Cito-toetsen, was dat ze de stof niet goed uitgelegd kreeg. Vooral in groep 7 niet, toen haar leerkracht overspannen was en ze vrijwel het hele jaar in andere klassen werd gezet. „Als ik iets niet snapte, dan zeiden ze dat ik de opdracht moest overslaan.”

De entreetoets in groep 7 leidde bij de hele klas tot slechte resultaten. Zó slecht dat de toets volgens Amber en haar moeder twee keer over moest. Er rolde een advies uit van vmbo-kader (praktisch). „Ze hoeft van mij geen Einstein te zijn”, zegt haar moeder, „maar Amber is geen kader-kind. Ik weet dat ze theoretische leerweg kan. Ze heeft gewoon geen les gehad.”

Sinds dit schooljaar zit Amber op een particuliere basisschool. Het schoolgeld van zo’n 8.000 euro is betaald van het spaargeld voor haar studie. Dat is het absoluut waard, zegt haar moeder – en ook Amber vindt dat. „Ik zou willen dat dit voor alle kinderen mogelijk was.”

Op haar nieuwe school is Amber niet meer zenuwachtig over toetsen. De Cito ging zelfs goed. Als ze iets niet snapt, wordt ze geholpen. En ze vertelt geregeld wat ze heeft geleerd.

Nog één keer had ze een blackout. „Ik ben frisse lucht gaan halen met mijn juffrouw, daarna mocht ik in de klas een boek lezen.” De volgende dag mocht ze met de toets verder. „Ik raakte niet in paniek.”

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.

    • Mirjam Remie
    • Maarten Huygen