Conservatiebioloog Stuart Pimm

Foto Merlijn Doomernik

De 3 wetten van Pimm

Natuurbehoud Welke gebieden en welke soorten moet je beschermen om de natuur te behouden? Conservatiebioloog Stuart Pimm rekent het uit.

Stuart Pimm heeft in het hotel waar hij verblijft, vlak bij het Amsterdamse Vondelpark, alvast twee paraplu’s voor ons gereserveerd. Het is grijs buiten, maar het lijkt niet direct te gaan regenen. „Toch kun je beter op een bui voorbereid zijn”, zegt Pimm. „Ik ben opgegroeid in Engeland, en ik weet: beter wél een paraplu en geen regen dan andersom.”

Het is een van de wetmatigheden die de inmiddels in Amerika wonende bioloog graag verkondigt. Begin december was hij in Nederland als spreker op het congres van de IUCN (International Union for Conservation of Nature). De natuurbeschermingsorganisatie bestond zeventig jaar, en de Nederlandse afdeling veertig jaar.

‘Conservatiebioloog’ is Pimm officieel, een term die toen hij promoveerde, in 1974, nog niet eens bestond. Het vakgebied, gericht op het behoud en het herstel van ecosystemen en de daarin levende dieren en planten, is in 1978 praktisch rond hem – vanwége hem – uitgevonden.

Pimm: „Ik deed na mijn promotie veldwerk op Hawaï en was geschokt dat zoveel vogelsoorten waarop ik me verheugd had – ik ben een fervent vogelaar – al uitgestorven bleken te zijn. Toen besloot ik dat ik me moest gaan inzetten voor het behoud van soorten, en ik begon met wat we nu ‘natuurbescherming’ noemen. Een paar jaar later werd ik gebeld door ene Michael Soulé, een bioloog die zei: ‘Ik wil je uitnodigen voor een bijeenkomst over conservatiebiologie’. ‘Wat is dát?’ vroeg ik verbaasd. En hij antwoordde: ‘Wat het ook is, jij bent het al aan het doen’.”

Al meer dan veertig jaar doet Pimm nu onderzoek naar het uitsterven van soorten en het behoud daarvan, op wiskundige wijze. Hij vatte voedselketens samen in wiskundige formules, berekende hoeveel keer sneller soorten uitsterven door menselijk toedoen (duizend keer) en cijferde voor dat grote dieren minder snel het risico lopen dan kleine dieren om uit te sterven zodra er nog maximaal zeven paren over zijn. „De kans om uit te sterven neemt vooral bij grote dieren sterk af met afname van de populatieomvang”, zegt hij tijdens onze wandeling. „Juist vanwege hun grootte en hun bekendheid zijn ze makkelijker te herkennen in het wild, en kunnen natuurbeschermers alles op alles zetten om die laatste exemplaren tijdig te beschermen.”

Cijfers geven de boodschap die je als conservatiebioloog wilt overbrengen een meerwaarde, zegt Pimm. „Het maakt de invloed van menselijk handelen inzichtelijk, en laat de noodzaak van bescherming zien. Maar het is natuurlijk niet de bedoeling dat je je gaat blindstaren op de cijfers en de echte natuur vergeet. Biologie speelt zich nog altijd buiten af, niet op beeldschermen.” Berekeningen zijn een hulpmiddel, benadrukt hij, net als digitale kaarten. „Denk aan de noordelijke Andes of de kust van Brazilië: dat zijn gebieden van meer dan een miljoen vierkante kilometer. Als jij binnen die enorme zones een gebied van hooguit tien bij tien kilometer kunt aanwijzen waar bescherming echt verschil maakt – bijvoorbeeld op basis van reliëf en landgebruik – dan maakt dat onderzoek een stuk efficiënter. Zeker als wij op basis van berekeningen kunnen zeggen: dat ene kleine gebied raakt binnen tientallen jaren tientallen soorten kwijt. Wiskunde helpt ons om naar de juiste plek te gaan, en de juiste omvang van een probleem in te schatten.”

Bij een parkvijver houdt Pimm stil om naar de watervogels te kijken. „Mijn grote voorbeeld is Aldo Leopold. Hij was begin twintigste eeuw een bekende Amerikaanse ecoloog, bosbeheerder en natuurbeschermer, en hij formuleerde de ‘Eerste Wet van Intelligent Knutselen’. Namelijk dat je alle onderdelen van iets moet bewaren, hoe onbeduidend en klein ze ook lijken. Kijk naar die meerkoet bijvoorbeeld: zelfs als je niet weet wat voor doel hij hier dient, midden in deze stadsvijver, dan is het toch belangrijk om zuinig op hem te zijn. Want hij zou wel eens een essentiële rol kunnen spelen in het ecosysteem.”

De conservatiebiologie is in drie hoofdwetten te vatten, zegt Pimm, terwijl we stilhouden om een reiger te observeren. Hij somt op: „Eén: Groot is beter dan klein. Twee: Verbonden is beter dan verdeeld. Drie: Natuurlijk is beter dan beheerd.”

De Eerste Wet van Pimm: Groot is beter dan klein

„Al toen ik studeerde, vond ik het kortzichtig van wetenschappers dat ze altijd maar met kleine proefopstellingen werkten. Alleen op kleine schaal kun je experimenten goed controleren en herhalen, zeggen ze dan. Maar zo kun je geen ecosysteem nabootsen. Het uitdagende van natuurbescherming is juist dat je op landschapsschaal moet kijken om het verschil te maken. Groot denken, daar draait het om. Als een soort in het westen van een gebied geen geschikte leefplek meer vindt, is er dan nog plek in het oosten?”

Groot denken betekent ook: een onderwerp vanuit veel verschillende hoeken benaderen, aldus Pimm. „Als conservatiebioloog ga je niet alleen met vakgenoten in gesprek, maar ook met politici, filosofen, technici. Zo’n twintig jaar geleden ging ik op bezoek bij de NASA om met de toenmalige baas Daniel Goldin te praten. Ik wil een dubbele aarde, zei ik tegen hem: naast onze normale aardbol wil ik ook een gehele satellietfotoaardbol, vrij toegankelijk, zodat we bedreigde natuurgebieden beter in kaart kunnen brengen. Tot die tijd kostten satellietbeelden van een gebied duizenden dollars per stuk, en je had altijd meerdere foto’s nodig van hetzelfde gebied, van verschillende jaren, zodat je veranderingen in leefgebieden kon waarnemen. Of het toeval is weet ik niet, maar niet lang na dat gesprek is Google Earth er gekomen – dat is wel een van de grootste veranderingen binnen de conservatiebiologie geweest. Daarmee is ons werk een stuk doeltreffender geworden.”

De ‘Eerste Wet’ geldt tot op zekere hoogte ook voor gebieden, zegt Pimm. „Al is oppervlak op zichzelf niet voldoende als maat. Het gaat er ook om waar dat oppervlak zich bevindt.” Een paar jaar geleden kwam bioloog Edward Wilson met de ‘Half Earth Theory’, die stelt dat we 85 procent van de soorten kunnen beschermen door 50 procent van het aardoppervlak te beschermen. „Daar zit zeker een kern van waarheid in, maar er moet wel een kanttekening bij worden gemaakt: het gaat erom wélke helft van de aarde we beschermen. Stel dat politici al zouden instemmen met het plan, dan zouden ze wellicht zeggen: goed, we beschermen een deel van het Arctisch gebied, en van de taiga, en van de oceanen. Dan kom je al snel aan 50 procent. Maar juist die gebieden zijn relatief soortenarm, en zo kom je dus nooit aan die 85 procent beschermende diersoorten. De locatie is dus minstens zo belangrijk als de omvang.”

Groot is beter dan klein geldt naar zijn mening niet voor diersoorten, benadrukt Pimm. „Een olifant is niet per definitie waardevoller dan een hommel: sterker nog, als diersoorten onder aan de voedselpiramide wegvallen, heeft dat negatieve gevolgen voor de gehele keten. Zeker negentig procent van de bedreigde diersoorten is klein en onopvallend.”

De Tweede Wet van Pimm: Verbonden is beter dan verdeeld

Het hoofdwerk van conservatiebiologen bestaat uit het verbinden van gefragmenteerde leefgebieden, zegt Pimm. „We beschermen daarom liever een heel gebied dan een specifieke diersoort. Tegelijkertijd kan een iconische soort soms wel helpen om een gebied te beschermen. In Brazilië is bijvoorbeeld een gebied beschermd waar toevallig het gouden leeuwaapje leeft. Nu zijn er veel meer kwetsbare, bijzondere soorten in dat gebied die bescherming verdienen, maar de aanwezigheid van het gouden leeuwaapje maakte het wel makkelijker om de beschermde status te bewerkstelligen.”

Gebiedsverlies en soortverlies hangen zo nauw samen dat Pimm met collega’s zelfs een speciale formule opstelde, S = cAz. Daar is S het aantal getelde soorten, A het oppervlak van het leefgebied, en c en z zijn constanten. „Als A afneemt, doet S dat ook. Daarbij gaat het wel om endemische soorten, die specifiek zijn voor dat gebied. Hoe meer van zulke soorten je in een gebied hebt, hoe gevoeliger het is voor areaalvernietiging – dat zijn de zogeheten extinction hotspots. Daarnaast heb je coldspots, waar juist relatief weinig endemische soorten zijn.

„Hier in Nederland zijn jullie heel goed in het verbinden van leefgebieden, ik heb deze week nog een bezoek gebracht aan een van jullie ecoducten. Zoiets zou op meerdere plekken in de wereld kunnen gebeuren, op plekken waar het er écht toe doet. De Europese natuur is ook waardevol en ik voel heus wel sympathie voor de soorten hier, maar hier heb je relatief veel extinction coldspots. Weinig uitsterven, weinig biodiversiteit, weinig unieke soorten. Het echte probleem speelt zich ver van hier af, in Zuid-Amerika, in Afrika, in Azië: 95 procent van het uitsterven gebeurt in de tropen, dus daar doen we het grootste deel van ons werk.”

Verbonden is beter dan verdeeld geldt niet alleen voor gebieden, maar ook voor mensen, zegt Pimm. „Samenwerken met lokale natuurbeschermers is cruciaal. Wij kunnen niet op eigen houtje gaan bepalen hoe de natuur rond een Afrikaans dorp beschermd moet worden. Als je ooit in Afrika een nacht in een tent hebt gebivakkeerd en de leeuwen buiten hebt horen brullen, dan weet je dat het doodenge dieren zijn. Dus niet alleen mooie katachtigen die je vanuit een safari-jeep kunt fotograferen, maar roofdieren die jou en je kudde koeien kunnen doden. Ze kunnen in heel korte tijd enorm veel schade aanrichten, en dus is een van de uitdagingen voor ons als natuurbeschermers om die schade zo veel mogelijk te beperken. Bijvoorbeeld door een betere kraal te ontwerpen, waar het vee veilig de nacht in kan doorbrengen. Pas dan zal de lokale bevolking ook geneigd zijn om mee te werken aan het beschermen in plaats van het doden van de leeuwen.”

De Derde Wet van Pimm: Natuurlijk is beter dan beheerd

„Politici zouden het liefst éénhandige wetenschappers willen – ze houden er niet van dat wetenschappers vaak zeggen ‘on the one hand... on the other hand’. Maar de natuur ís ook niet eenvoudig. Kijk bijvoorbeeld naar de Oostvaardersplassen: is daar nu sprake van natuur of beheer? Wie heeft het daar voor het zeggen? De mensen, de herten, de bodemdieren die eten van de kadavers? Ik snap aan de ene kant dat veel mensen geraakt zijn als ze wilde paarden zien sterven, maar aan de andere kant: dat is ook de natuur.

„Zo zie ik het ook met de toekomst van de natuurbescherming. We kunnen niet wegkijken, het gaat slecht met de natuur en de biodiversiteit, maar tegelijkertijd is het niet onmogelijk om soorten te redden. Ik ben bijzonder optimistisch, conservatiebiologie is nog een relatief jong vakgebied en we hebben al een hoop vooruitgang geboekt. Als je bijvoorbeeld kijkt naar vogels die in wetlands leven.... Daarmee gaat het stukken beter dan vijftig jaar geleden.

„Sommige wetenschappers menen dat we de zogeheten planetary boundaries allang hebben overschreden – ze gaan ervan uit dat er voor grote processen op aarde – biodiversiteitsverlies, klimaatverandering – bepaalde drempelwaarden zijn, en dat het overschrijden daarvan catastrofale gevolgen kan hebben. Ik houd niet van dat soort uitspraken, het zorgt voor twee mogelijke problemen.

„Ten eerste is er het risico dat de industrie zegt: oh, de drempelwaarde is nog niet bereikt, dus we kunnen nog even door met het uitstoten van broeikasgassen. Ten tweede loop je het gevaar dat de industrie zegt: oh, de drempelwaarde is al bereikt, dus het maakt nu toch niet meer uit wat we doen, het is toch al te laat. Wellicht dat er op kleinere schaal zulke tipping points zijn voor biodiversiteit, in de Amazone bijvoorbeeld, maar wereldwijd? Ik geloof daar niet in.”

We passeren een klimrek, een metalen iglo van horizontale en verticaal gebogen stangen. „Een visuele representatie van een voedselweb”, grapt Pimm. „Zie al die dwarsverbanden... In de natuur zijn voedselwebben natuurlijk vaak nog vele malen uitgebreider en groter. Hoe complexer een voedselweb, hoe minder stabiel. Als er een paar soorten wegvallen, dan loopt het hele systeem het risico om in te storten. Dat brengt me weer op de Eerste Wet van Intelligent Knutselen: we moeten zuinig zijn op alle afzonderlijke deeltjes.”

    • Gemma Venhuizen