Opinie

Bescherm de Oranjes tegen zichzelf

Koninklijke kunst De regering kan en moet ingrijpen in de verkoop van koninklijke kunst, betoogt , maar durft niet.

Illustratie
Illustratie Kwennie Cheng

Twee jaar na het bericht over de verontrustende verkoop van het schilderij Boschbrand staat het Huis van Oranje opnieuw in een ongunstig daglicht als het gaat om culturele waarden en erfgoedbehoud. Op 30 januari zal veilinghuis Sotheby’s in New York een aantal kunstwerken uit de collectie van het Koninklijk Huis onder de hamer brengen, waaronder een unieke houtskooltekening van de oude meester Peter Paul Rubens. Niet voor niets: de waarde van alleen al dit werk wordt op circa drie miljoen euro geschat.

Misschien ook ligt de opbrengst hoger; in Nieuwsuur zei NRC-kunstredacteur Arjen Ribbens dat een bedrag van tien miljoen euro kan worden neergeteld. In totaal worden er dertien tekeningen aangeboden, naast een groot aantal kunstvoorwerpen zoals zilverwerk en serviesgoed. Het is allemaal „property of a princess”, verklaarde Sotheby eerder; Ribbens ontdekte dat het om prinses Christina gaat.

Deze keer klinken de stemmen van verontwaardiging luider en gezwinder dan twee jaar geleden. Maar er is ook oprechte verwondering: kunnen en mogen de Oranjes dit wettelijk doen? Wie behoort die kunst in wezen toe?

Lees ook: Prinses Christiana verkocht al vaker kunst uit de koninklijke collectie

De commotie die eind 2016 ontstond nadat de slinkse verkoop van Boschbrand, een negentiende-eeuws meesterwerk van de Javaanse schilder Raden Saleh, door de Oranjes bekend was geworden, had grotendeels te maken met de trieste geschiedenis van het schilderij. Het uit 1849 stammende, spectaculaire doek was éen van de schilderijen die door de adellijke kunstenaar waren geschonken aan de koninklijke familie, uit erkentelijkheid voor hun beschermheerschap.

Daarna lag het schilderij het grootste deel van zijn tijd in Nederland in opgerolde toestand op de zolder van een paleis te verstoffen. Na de herontdekking door een Franse kunsthistorica werd het grondig gerestaureerd en onderhands verkocht aan de Royal Gallery in Singapore, zonder dat Nederlandse of Indonesische musea de kans hadden gekregen het te verwerven. Pikant detail: Raden Saleh staat in Indonesië bekend als nationalistische held en ‘Vader van de Indonesische schilderkunst’ – zijn kunst is een schoolvoorbeeld van gedeeld cultuurhistorisch erfgoed, beladen met koloniale geschiedenis en zeker van politiek belang.

Alleen met toestemming van de minister

Die symbolische meerwaarde heeft de kunstcollectie die nu wordt geveild in mindere mate, maar het puur kunsthistorische belang ervan staat buiten kijf. Sinds 2016 worden geregistreerde kunst- en cultuurvoorwerpen beschermd door de Erfgoedwet, die moet voorkomen dat werk uit particulier- en overheidsbezit verloren gaat voor Nederland. Alleen met toestemming van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap mag zulk erfgoed naar het buitenland worden uitgevoerd.

De Erfgoedwet biedt in principe een noodinstrument; de minister kan met de Erfgoedwet in haar hand kunstvoorwerpen aanwijzen die daarmee onder de bescherming van de wet vallen – daar bestaat zelfs een spoedprocedure voor. Maar aan de Oranjes brandt de regering haar vingers liever niet.

Minister-president Rutte liet afgelopen week fluks weten dat het in het geval van de tekening van Rubens om een „privékwestie” gaat. Einde discussie. Omdat sprake is van privé-eigendom mag de koninklijke familie zélf beslissen of en hoe hun kunstwerken worden verkocht, berichtte minister Van Engelshoven (OCW) in antwoord op Kamervragen.

De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed laat echter weten dat er voor de bezittingen van de koninklijke familie geen uitzondering in de Erfgoedwet is opgenomen; voor de familie gelden dezelfde regels wat betreft hun privé-eigendom als voor iedereen. Maar de woordvoerder laat ook weten dat de minister in het algemeen „terughoudend” met opname in de erfgoedregisters om gaat.

Het is de vraag of de Oranjes niet onevenredig van die ‘terughoudendheid’ profiteren, want zij bezitten in verhouding veel meer onvervangbare kunstvoorwerpen dan andere families. Zo kan de schijn ontstaan dat de koninklijke familie boven de (Erfgoed)wet staat.

Lees ook: Koninklijke cadeaus, vorstelijke problemen: hoe de Oranjes omgaan met geschenken

Een andere complexe vraag die uit de weg wordt gegaan, is die naar de verwervingsgeschiedenis van de kunstvoorwerpen van de familie. Lange tijd waren de staatskas en de eigen portefeuille voor staatshoofden zoals Willem I en II gelijk aan elkaar, wat een waas trekt over historische eigendomsverhoudingen en vragen over al dan niet openbaar (roof)kunstbezit. Het overheidspensioen dat Willem I en zijn opvolgers jarenlang aan Raden Saleh uitbetaalden, was bijvoorbeeld afkomstig uit de algemene middelen, maar de tegenprestatie – in de vorm van herhaalde schenkingen van de kunstenaar – staken de vorsten in eigen zak.

Veelvormig taboe

Rond het kunstbezit van de koninklijke familie heerst anno 2019 dus een veelvormig taboe. Hoe lang kan dat taboe nog in stand blijven?

Krap een week nadat de omstreden veiling in het nieuws kwam, werd het televisiekijkend publiek erop vergast hoe het koninklijk gezin een Wassenaarse villa verruilde voor een voor 63 miljoen euro met gemeenschapsgeld verbouwd Haags paleis. Dezelfde week bleek dat prins Bernhard jr., neef van koning Willem-Alexander, het Mediapark in Hilversum aan zijn onroerend-goedverzameling had toegevoegd; het circuit Zandvoort en honderden Amsterdamse huurwoningen behoorden daar al toe. Het bericht dat de gemeente Amsterdam de ‘pandjesprins’ een dwangsom oplegde wegens in gebreke blijven bij het beheer van die woningen, vormde een veelzeggende voetnoot bij al het nieuws.

Het al langer bestaande beeld dat leden van de koninklijke familie te veel waarde hechten aan aards slijk, kreeg een nieuwe, ongunstige impuls.

Het nieuws over de voorgenomen veiling leidde dan ook niet alleen tot (inmiddels beantwoorde) Kamervragen van D66-lid Salima Belhaj, maar ook tot brede ophef en kritiek in de mainstream media. Zo stelde Frits Wester, commentator bij RTL-Nieuws, dat de Oranjes, „een door de belastingbetaler zwaar gesubsidieerd instituut”, de „morele plicht” hebben om nationaal erfgoed in hun bezit eerst aan Nederlandse musea aan te bieden.

In Nieuwsuur legde Fusien Bijl de Vroe, directeur van de Vereniging Rembrandt (tot behoud van Nederlands cultuurbezit) uit dat „Oranjekunst echt Nederlands erfgoed” is, waarvan het „heel jammer” zou zijn als het uit Nederland zou verdwijnen. Nog een pikant detail: prinses Beatrix is sinds 1980 beschermvrouwe van Vereniging Rembrandt.

In Het Parool verzuchtte Sjarel Ex, directeur van Museum Boijmans Van Beuningen, dat verreweg de grootste Rubenscollectie in Nederland beheert: „Hier is echt sprake van een collectie die tot het nationaal erfgoed behoort. Wie direct naar een veiling stapt, op dit internationale niveau, is alleen maar uit op de hoofdprijs”. Aan het Algemeen Dagblad liet Ex weten: „Er is op geen enkele manier overleg geweest, dit is bepaald niet de koninklijke weg”.

Lees ook: Sjarel Ex: Geef musea kans Oranjekunst aan te kopen

Hoe is het in Engeland geregeld?

Hoe zou zo’n koninklijke weg er in Nederland uit moeten zien?

De meest prestigieuze en kostbare koninklijke verzameling ter wereld, de Royal Collection van het Britse vorstenhuis, is anders dan het kunstbezit van de Oranjes een spraakmakend kunsthistorisch fenomeen op zich. Al vijfhonderd jaar wordt er met zorg omgekeken naar deze grootste privé-kunstcollectie ter wereld, waarvan koningin Elizabeth II eigenaar is; soms in de gedaante van privé-eigenares, meestal als personificatie van de Kroon. Het beheer van de meer dan een miljoen kunstvoorwerpen tellende verzameling is sinds 1987 in handen van de Royal Collection Trust, een afdeling van de koninklijke huishouding die circa vijfhonderd personeelsleden telt.

Voor de kunst die tot 1901 werd verworven, staat de erfgoedstatus vast: die kan niet worden verkocht of weggegeven en behoort per definitie toe aan de Kroon. Maar de status van kunstwerken en verzamelingen van later datum is niet zeker, ook al stelt de Royal Collection Trust dat het om persoonlijk eigendom van Elizabeth II gaat, zoals de beroemde en zeer kostbare postzegelverzameling van haar vader George VI.

De Britse vorst Charles I was een geniaal collectioneur. Zijn kunstverzameling werd na zijn executie wegens hoogverraad in 1649 in gedeelten verkocht, om zijn schulden af te betalen. Begin vorig jaar werd zijn vermaarde collectie in een speciale tentoonstelling in de Royal Academy of Arts tentoongesteld; uit alle hoeken en gaten van de wereld waren de verweesde werken opgespoord.

De discussie in Engeland gaat dan ook niet over de steelse verkoop van koninklijke collecties, maar over de zeer geringe toegankelijkheid van de Royal Collection voor het publiek. Daarom betreurde het dagblad The Guardian het in een redactioneel commentaar dat de collectie van Charles I niet direct na diens onthoofding genationaliseerd was, om zo het goede voorbeeld te stellen.

Daarvoor was het in 1649 echter nog te vroeg: het concept van een nationale kunstcollectie kreeg pas in de vroege negentiende eeuw duidelijk gestalte.

En in Spanje?

In Spanje stond Karel V in de zestiende eeuw aan de wieg van een unieke en enorme schilderijencollectie, die in het in 1819 gestichte museum Nacional del Prado werd tentoongesteld. Na de onttroning van koningin Isabella II in 1868 werd het museum genationaliseerd. Sinds 1982 bekommert het erfgoedagentschap Patrimonio Nacional zich om het door de Spaanse Kroon aan de Staat overgedragen koninklijke erfgoed. De koning mag daarvan gebruik blijven maken. Veel van dat erfgoed is als gevolg van de Spaanse Burgeroorlog op drift geraakt.

De Patrimonio Nacional opent in 2020 in Madrid een nieuw en prestigieus museum voor Koninklijke Collecties. Daarom maakt het gevreesde agentschap al jarenlang jacht op vermiste, uitgeleende én geïdentificeerde koninklijke kunstvoorwerpen in musea en kloosters, kastelen en huiskamers – zonder inmenging van koning Felipe VI. Dat fanatieke terughalen van koninklijke kunstwerken is omstreden, maar staat diametraal tegenover het klakkeloos laten uitvoeren van nationaal erfgoed.

Hoe doen ze het in België en Zweden?

Ook in België en Zweden ten slotte, behoren de koninklijke verzamelingen toe aan de staat, die ze onder voorwaarden ter beschikking stelt aan de koning voor bijvoorbeeld exposities en staatsbezoeken: helder en duidelijk.

Lees ook: Prinses laat geschonken kunstwerk toch niet veilen

Wat betekent dit voor de koninklijke weg van het Huis van Oranje? „Ontzamelen is een Oranje-traditie met een lange voorgeschiedenis”, schreef Arjen Ribbens in deze krant. Breken met die traditie en het tracé voor een geheel nieuwe weg uitstippelen lijkt de enige optie. Het Koninklijk Huisarchief bepaalt nu bijvoorbeeld zélf of het gaat om privébezit of niet. Welke afweging wordt gemaakt blijft onduidelijk. Een eerste stap zou kunnen zijn dat niet langer het Koninklijk Huisarchief de scepter zwaait over de kunstvoorwerpen van de Oranjes, maar een ander, meer op afstand geplaatst instituut. Planmatig en onafhankelijk onderzoek naar de herkomst en verwervingsgeschiedenis van de kunst zou een tweede stap kunnen zijn.

Hoe dan ook: de politieke onwil om het Nederlandse culturele erfgoed in bezit van de Oranjes te beschermen tegen ‘vermarkting’ is op langere termijn niet in het belang van de koninklijke familie. Zonder cultureel prestige en vorstelijk rentmeesterschap dreigt verzakking van het koninklijk huis.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.