Opinie

    • Floor Rusman

Zeg chablis en je denkt morele superioriteit

Het schijnt dat politici burgers naar de mond praten, maar er is ten minste één groep die daar weinig van merkt. In plaats van liefkozingen krijgt die de ene na de andere pets in het gezicht, afgelopen week ook weer. Ik heb het uiteraard over ‘de elite’, die volksverraders met verheven idealen en een dure smaak.

Oftewel, de mensen met „designerbrillen” (Wilders), de „kosmopolitische elites die internationaal opereren” (Baudet), die „in het weekeinde op een terras in Barcelona prosecco drinken” (Buma) of juist een „chablis’tje in het Concertgebouw” (Thierry Aartsen), kortom, de „witte wijn sippende Amsterdamse elite” (Rutte).

Hoe doeltreffend een paar woordjes kunnen zijn leerde ik toen ik als stagiair samen met een collega verslag deed van Occupy Amsterdam. We hadden een kunstenaar geïnterviewd die was neergestreken op het Beursplein om de revolutie te bestuderen. Tot zijn razernij hadden we in het stuk geschreven dat hij „biologische rode wijn” dronk. Dodelijk, vond hij: we schetsten hem als elitair type. Ik begreep het probleem niet – hij drónk toch biologische rode wijn?

Naïef natuurlijk, want een mens is wat hij consumeert – levensstijl is politiek. Zo geldt wijn als een links drankje en bier als rechts. Moët & Chandon is links, Johnny Walker rechts, bleek uit Amerikaans onderzoek. Caffè latte is links, want het klinkt uitheems.

Door zulke woorden te gebruiken neem je een shortcut in het hoofd van je toehoorder: de woorden leiden als het goed is naar een vaste associatie. Lekker makkelijk voor politici om een sterk beeld op te roepen, maar ook voor journalisten of opiniemakers die hun onderwerp met een paar snelle verfstreken willen neerzetten.

Dat doen ze dan ook enthousiast, ontdekte ik toen ik de krantenarchieven van de afgelopen twintig jaar afstruinde. Het beeld van de latte- en chardonnaydrinkende elite, vliegend over de wereld, wortelloos en vol dedain voor het volk, duikt in talloze stukken op. Het beeld bestaat uit een wolk van met elkaar samenhangende woorden: quinoa, links, elektrische auto’s, wijn, latte, mensenrechten.

Hoe vaker dat beeld herhaald wordt, hoe minder toelichting het behoeft. Inmiddels hoef je alleen nog maar chablis te zeggen en je publiek denkt de Tesla, de mensenrechten en de morele superioriteit er zelf bij.

Intussen is het, als je wat beter leest, vaak niet duidelijk welke elite bedoeld wordt. Soms gaat het om een groep met links-liberale opvattingen en een specifieke levensstijl – zeg maar de „quinoaklasse” (de Volkskrant), of „cappuccino drinkende, witte wijn nippende mooie mensen” (NRC). Of zoals hoogleraar internationaal recht Martti Koskenniemi het omschreef in NRC: „Wij, de verlichte, kosmopolitische elite (…) praten over gendergelijkheid en drinken caffè latte.”

Maar de elite wordt in de kranten ook in verband gebracht met rijkdom: het zijn mensen met een „peperdure levensstijl” (Rob Hoogland in De Telegraaf) die „shoppen op 5th Avenue in New York” (Derk Jan Eppink in NRC).

Dit kan niet allemaal over dezelfde groep gaan. Veel quinoa-eters behoren qua smaak misschien tot de elite, maar niet qua bankrekening. Een prosecco kunnen ze nog betalen, shoppen op 5th Avenue niet. Velen van hen bevinden zich net zo goed in de onzekere middenklasse als het „gewone volk” waar ze nu vaak tegenover worden gezet. Omgekeerd zijn er zat mensen die vier keer modaal verdienen en níét praten over gendergelijkheid.

Er is niet één elite – maar dit soort nuances wordt verwoest door de kracht van het beeld. Als we maar vaak genoeg lezen dat de latte-elite het opneemt tegen het vleesvolk, wordt dat vanzelf de werkelijkheid.

Floor Rusman is redacteur van NRC

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.

    • Floor Rusman