Toen een ouvreuse je naar je stoel bracht

IFFR Rotterdamdag Rotterdam is een van de zeven steden in een Europees onderzoek naar bioscoopbezoek in de jaren vijftig. Mediahistoricus Thunnis van Oort geeft een voorproefje op de Rotterdamdag van het IFFR.

Er hing feestverlichting in de Beijerlandselaan ter hoogte van bioscoop Colosseum op 26 oktober 1956. Daar draaide die week de film Alle hens aan dek, aangekondigd in de krant als ‘een muzikale komedie met 12 hit-songs’.
Er hing feestverlichting in de Beijerlandselaan ter hoogte van bioscoop Colosseum op 26 oktober 1956. Daar draaide die week de film Alle hens aan dek, aangekondigd in de krant als ‘een muzikale komedie met 12 hit-songs’. Foto Stadsarchief

Een klein kind was ze nog toen Nel Peterse (1949) voor het eerst naar de bioscoop ging. In de grote vakantie ging het gezin niet op reis, maar mochten de kinderen eens in de week voor een dubbeltje naar de Dikke en de Dunne, of naar Charlie Chaplin. Die films draaiden in de Harmonie in de Gaesbeekstraat op Zuid, een eenvoudige bioscoop met houten stoelen.

Later ging ze ook wel naar de Metro aan de Wolphaertsbocht, een eindje verderop. „Die was wat luxer, met tapijt op de vloer en een garderobe. Mijn oom was daar directeur en ik kreeg wel eens vrijkaartjes, dus ik ben veel naar de bioscoop geweest. West Side Story heeft de meeste indruk op me gemaakt.”

Peterse is een van de twintig Rotterdammers die in de tweede week van januari zijn geïnterviewd door Thunnis van Oort, mediahistoricus aan de Universiteit van Amsterdam. Hij werkt mee aan een vergelijkend onderzoek naar het bioscoopbezoek in Europa in de jaren vijftig, voor de opkomst van de televisie. In zeven Europese steden worden tien mannen en tien vrouwen ondervraagd over hun ervaringen als bioscoopbezoeker. Behalve Rotterdam zijn dat Bari, Brno, Gent, Göteborg, Leicester en Magdeburg. De onderzoeksvraag is in hoeverre er een gedeelde Europese bioscoopcultuur was. Van Oort: „Het beeld van de jaren vijftig is dat de hele wereld naar dezelfde Hollywood-films keek. Maar was dat ook zo?”

Waarom Rotterdam? Daar is een heel pragmatische reden voor, aldus Van Oort. „Ik was hier al bezig met een vergelijkend onderzoek met Antwerpen. Vanuit de vraag waarom in Nederland de bioscoopcultuur altijd wat is achtergebleven. Bezoekersaantallen en aantal bioscopen per inwoners zijn in Nederland altijd lager geweest dan in de rest van Europa. En in België juist heel hoog.”

Verklaringen daarvoor zijn er niet, wel een aantal theorieën. De calvinistische aard van de Nederlander bijvoorbeeld. Of de rol van het sterke kartel van de Nederlandse Bioscoopbond destijds, die er belang bij had om het aantal bioscopen klein te houden. „In België was de markt vrij en daar waren drie keer zoveel bioscopen als in Nederland.”

De Bioscoopbond drukte ook zijn stempel op het naoorlogse Rotterdam, waar het na het bombardement van 1940 een herbouwrecht voor zijn leden afdwong. Die maakten daar geen haast mee, maar blokkeerden wel initiatieven van nieuwkomers. „Pas rond 1960 kwam daar wat beweging in. Maar in de jaren vijftig was er een tekort aan stoelen. Dat haal ik ook uit de interviews: er stonden altijd rijen voor de bioscoop.”

De interviews met de twintig Rotterdammers, vooral tachtigers, zijn het begin van het onderzoek, dat verder bestaat uit het bestuderen van ‘harde’ data, zoals de filmladders in de kranten. Hoewel het nog te vroeg is voor conclusies, is Van Oort al wel het een en ander opgevallen. Bijvoorbeeld hoe weinig mensen te besteden hadden in de jaren vijftig. „Dat hoorde ik veel in de gesprekken: ze hadden best vaker naar de film gewild, maar er was gewoon geen geld voor. Dronken ze wat in de pauze of na de film? Nee, dat was te duur. Na de film meteen naar huis. Ze moesten er iets voor laten om naar de film te kunnen. Iemand vertelde dat hij aan het sparen was voor een brommer. Als hij iets overhield, was het altijd een moeilijke keuze: gaat het naar de brommer of naar de film.”

Foto Stadsarchief Rotterdam

Uit de verhalen bleek een groot verschil tussen jongens en meisjes „Jongens gingen vaker en naar verder weg gelegen bioscopen dan meisjes, van de Cineac op de Coolsingel tot de Passage in Schiedam en van de Metro op Zuid tot de Victoria in Noord. Er waren ook aparte jongensbioscopen: Rex, Centraal, Capitol. Daar draaiden de westerns en de oorlogsfilms waar je als meisje niet naartoe ging.”

Rotterdam is na Bari pas de tweede stad waar de interviews zijn gehouden. De cameraman die de gesprekken in de Italiaanse kustplaats opnam, wist Van Oort te vertellen dat daaruit naar voren kwam dat het altijd lawaaiig en rumoerig was tijdens de voorstellingen. Bezoekers reageerden luid en heftig op wat ze zagen op het scherm. „Terwijl de Rotterdammers mij vertelden: we zaten altijd heel keurig en stil te kijken, er werd niet gegeten, gedronken of gerookt. Heel gedisciplineerd allemaal.”

Van Oort zal zijn onderzoeksproject toelichten op de Rotterdamdag van het Filmfestival, op 25 januari in LantarenVenster. Daarbij zal hij ook een aantal deelnemers interviewen, waaronder Nel Peterse. Zij bleef een fervent bioscoopbezoekster en vond er zelfs werk: in de jaren negentig werkte zij in Thalia op de Kruiskade. Nog steeds gaat ze regelmatig. „Het grote verschil met toen? Vroeger was het echt een uitje. Je gaf je jas af, je werd naar je plaats gebracht door een ouvreuse, er was een pauze. Nu neemt iedereen eten en drinken mee in de zaal, en is het een puinhoop met overal popcorn. Het is veel gewoner geworden om even een filmpie te pikken.”

    • Frank de Kruif