Samen met een meeleefgezin het kind opvoeden

Opvoeden Sommige ouders zijn goed, alleen kwetsbaar. Dankzij een ‘meeleefgezin’ kunnen die tot rust komen. „Onze batterij raakt snel leeg, dus hebben we steeds tijd nodig om bij te komen.”

Illustratie Nanne Meulendijks

Met ernst en toewijding eet Yannick (2) zijn pastaschelpen met spruiten en spekjes. „Hij is de dankbaarste eter die je je kunt voorstellen”, zegt Carolien Roze (37). „Alles gaat erin.” Zij en haar man Gregor van Lit (41) zijn Yannicks ‘meeleefouders’ – opvangouders voor kinderen van 0 tot 5 jaar van wie de vader of moeder psychische problemen heeft.

Elke donderdag en één weekend per maand is Yannick bij hen in Driebergen. Dan maakt hij deel uit van het gezin. Zoëven hield hij nog een kussengevecht op de bank met Saar (8).

Ze moet altijd even wennen als hij komt, zegt ze, omdat ze dan de aandacht van haar ouders moet delen. Maar als hij er eenmaal is, vindt ze het leuk. Dan is hij gewoon haar broertje.

Voor het echtpaar was het niet vanzelfsprekend dat ze een eigen kind zouden krijgen. Gregor van Lit: „Ik heb veel gereisd en zag op allerlei plekken kinderen zonder ouders. Het leek me altijd mooi om zo’n kind te adopteren. Later zijn we daar van teruggekomen, aan adoptie van kinderen uit andere landen blijken nogal wat morele bezwaren te kleven. En hier zijn genoeg kinderen die hulp nodig hebben.” Carolien Roze: „Ik wilde uiteindelijk toch graag zelf een kind dragen. Maar één was genoeg. We hebben pleegzorg overwogen, maar dat is erg zwaar. Dan gaat het om beschadigde kinderen, bij wie het leed in feite al is geschied.”

Ze hoorden over Stichting MeeleefGezin, bedoeld om ouders met psychische klachten te ontlasten. Carolien: „Preventieve zorg dus. En daar geloof ik heel erg in. Nog voor we de training hadden afgerond, maakten we kennis met Serge, Iris en Yannick.”

Slapeloosheid

Een week eerder, bij hen thuis even verderop op de Utrechtse heuvelrug, vertellen Iris (34) en haar man Serge (43, hun achternamen zijn bij de redactie bekend) dat kort na de geboorte van Yannick een medewerkster van het consultatiebureau hen wees op Stichting MeeleefGezin. Serge: „Ze kwam op huisbezoek en ving signalen op dat wij wel wat hulp konden gebruiken. Ik sliep in die tijd in het tuinhuisje. Ik lijd aan slapeloosheid – en met een baby in huis werd dat er niet beter op.”

Ik heb geleerd mijn angsten onder ogen te zien. Daardoor durfde ik uiteindelijk aan kinderen te beginnen

Serge

De oorzaak van dat slechte slapen, en van andere ptts-gerelateerde klachten, zoals overprikkeldheid en gespannenheid, ligt in een traumatische jeugd. Zijn vader, een alcoholist, verliet het gezin toen hij vijf was. Een gewelddadige stiefvader kwam voor hem in de plaats. Serge: „Ook mijn moeder, ze heeft zelf een nare jeugd gehad, had weinig controle over haar impulsen. Dat uitte zich regelmatig in fysiek en emotioneel geweld jegens mij. Daardoor voelde ik me als kind vaak angstig en onveilig – en daar heb ik nog steeds last van.” Gelukkig, zegt hij, is hij positief ingesteld. „Ik heb altijd geprobeerd om iets van het leven te maken. Therapie heeft me geholpen, met name de laatste therapie sloeg goed aan. Ik heb geleerd mijn angsten onder ogen te zien. Daardoor durfde ik uiteindelijk aan kinderen te beginnen.”

Sinds Iris een aantal jaren geleden een fietsongeluk kreeg, heeft ook zij last van wat ze „verminderde belastbaarheid” noemt. Net als haar man is ze snel overprikkeld en vermoeid. Haar geheugen hapert soms en ze heeft vaak hoofdpijn. Vanwege die klachten heeft ze haar baan als wetenschappelijk onderzoeker met de helft moeten terugbrengen. „Onze batterij raakt snel leeg, dus hebben we, meer dan andere ouders, steeds tijd nodig om bij te komen. Anders loopt de spanning te zeer op. Yannick zou daar op den duur last van kunnen krijgen. Alleen al om op donderdag niet te hoeven koken, is heel fijn voor ons.” Serge: „We hebben ook gastouderopvang voor Yannick, maar het meeleefgezin is echt anders: daar is hij deel van de familie.” Toch was het vooral voor Serge, zegt hij, in het begin niet makkelijk om Yannick achter te laten bij de meeleefouders. „Het gaf me een gevoel van falen. Van huis uit is me ingeprent dat je alles zelf moet oplossen.”

Met ondersteuning een kind opvoeden

Oprichter en directeur van stichting MeeleefGezin is Femke van Trier (70). Ze werkte veertig jaar in de geestelijke gezondheidszorg, de laatste jaren richtte ze zich als infant mental health-specialist op de sociaal-emotionele ontwikkeling van jonge kinderen. Ze maakte geregeld mee dat kinderen van ouders met psychische problemen in haar ogen onnodig uit huis werden geplaatst. „Het waren goede ouders, alleen kwetsbaar. Met de juiste ondersteuning hadden ze zelf hun kinderen kunnen opvoeden.”

Na een proefproject in 2012 is Stichting MeeleefGezin nu vijf jaar actief, met tachtig meeleefgezinnen in negen gemeenten, waaronder Den Bosch, Arnhem, Utrecht en Amsterdam. Ruim honderd meeleefgezinnen staan ingeschreven, maar kunnen nog niet deelnemen omdat er met hun gemeente geen contract is afgesloten. Van Trier streeft naar een landelijke dekking, maar het kost tijd om gemeenten te overtuigen, zegt ze, vanwege de kosten van deze vorm van preventieve hulp. De meeleefouders zijn weliswaar vrijwilligers, maar er zijn professionele zorgverleners betrokken bij de screening van de gezinnen en de training en begeleiding van de meeleefouders. Van Trier: „Gemeenten die meedoen, beseffen dat ze op den duur kosten kunnen besparen. Het is bekend dat het voor kinderen in een kwetsbare thuissituatie heel goed is als ze zich kunnen hechten aan meerdere vaste volwassenen.”

Klinisch psycholoog Peter van der Ende deed aan de Hanzehogeschool Groningen jarenlang onderzoek naar ouderschap bij mensen met psychische problemen. Samen met een collega ontwikkelde hij voor deze groep het hulpverleningsprogramma ‘Ouderschap met succes en tevredenheid’. Ook hij meent dat uithuisplaatsingen lang niet altijd nodig zijn, mits de ouders de juiste hulp krijgen bij het opvoeden. „Volgens de laatste onderzoeken zijn er in Nederland waarschijnlijk zo’n zeshonderdduizend kinderen van wie één of beide ouders psychische problemen hebben. Die kinderen hebben het soms zwaar, bijvoorbeeld omdat ze veel in de huishouding moeten helpen. En ze missen veel, omdat hun ouders meestal minder energie hebben om met hen te spelen of met ze op stap te gaan. Ook hebben zulke ouders vaak meer moeite met grenzen stellen. Maar dat is geen reden om ouders en kinderen uit elkaar te halen.”

De hulpverlening voor deze kinderen en hun ouders is in het algemeen aardig goed geregeld, meent hij. Alleen komen die twee – hulp aan ouder en hulp aan het kind – zelden bij elkaar in de vorm van opvoedingsondersteuning. „Hulpverleners in de geestelijke gezondheidszorg hebben moeite om bij hun cliënten het onderwerp ouderschap aan te roeren. Ze weten dat het een mijnenveld kan zijn, onder meer vanwege de angst bij deze ouders dat hun kinderen uit huis worden geplaatst. Dus steken ze liever hun kop in het zand.”

Lees ook: Twintig jaar co-ouderschap, hoe is dat eigenlijk voor de kinderen?

Van der Ende is enthousiast over Stichting MeeleefGezin, waar hij in het begin als adviseur bij betrokken was. „Alleen al de steun die de kinderen krijgen van de ‘broertjes’ en ‘zusjes’ in het meeleefgezin, en die – anders dan hun klasgenootjes – goed op de hoogte zijn van hun thuissituatie, is erg waardevol.”

In Driebergen hangen op het prikbord in de wc foto’s van Carolien, Gregor, Saar en Yannick. Een buitenstaander zou denken dat ze allemaal familie zijn. Carolien Roze: „Als mensen vragen of ik kinderen heb, zeg ik altijd: ‘We hebben een dochter, en we hebben Yannick. Dat is ons meeleefkind.’” Gregor van Lit: „Hoe het in de toekomst zal gaan, weten we niet. Maar als hij zestien is, op zijn brommer komt aanrijden en een weekendje wil komen logeren, staat onze deur voor hem open.”

    • Brigit Kooijman