Opinie

Rits rits

Georgina Verbaan

Een tl-buis in de nagelsalon knippert. Het is bijna een jaar geleden dat ik hier voor het laatst was. Kastjes opschuren kan ik inmiddels met mijn blote handen, dus heb ik mijn winterklauwen ter verzachting op een tafeltje gelegd. De nagelstyliste kijkt er kort naar, vindt er iets van, en begint haar hak- en zaagwerk. Met haar handen houdt ze mijn handen vast en verzorgt ze. Het is vreselijk intiem.

Daar moet ik altijd wel even aan denken, iedere keer dat ik daar kom. Dan voel ik een steek in mijn maag en wil ik mijn handen uit die vreemde handen terugtrekken, ze in mijn mouwen doen verdwijnen, de uiteinden van de mouwen als ballen in mijn vuisten klemmen en boksend ‘Raak me niet aan! Blijf uit mijn buurt!’ krijsen. Nee, ik doe het niet. Ik steek ook nooit ineens mensen neer op de kookafdeling van een warenhuis, spring ook nooit op om een carnavalsnummer te zingen tijdens een gevoelige speech op een begrafenis. Je denkt eraan, maar doet het niet.

De nagelmevrouw ‘ken’ ik nu al jaren. Ze vraagt altijd „Welke kleur wil je?” Dat is toch een prachtige vraag? Welke kleur wil je? Op zo’n doodsgrijze dag in januari is het aardig als iemand je op opties wijst. En die zijn eindeloos, van zeepgroen tot kauwgombal roze, Sahara geel. Ik doe altijd alsof ik er even over nadenk, alsof ik een mens ben die zichzelf in gedachten in verschillende omstandigheden in de toekomst kan plaatsen, dat kan bezien, haar mogelijkheden rustig bekijkt en overweegt, en dan een weloverwogen keuze maakt. Daarna zeg ik „Doe maar nummer 187”. Altijd weer dezelfde rode kleur. Flirtatious red. Omdat dat zo spannend kleurt bij mijn pyjama en de vacht van mijn kat Fred ofzo.

Op zo’n doodsgrijze dag in januari is het aardig als iemand je op opties wijst

De nagelmevrouw zat een paar jaar geleden niet zo lekker in haar vel, ze snakte naar vakantie, zei ze destijds – niet tegen mij natuurlijk, ik praat nooit maar luister altijd af – toen die aanstonds was knapte ze al zichtbaar op en nadat hij achter de rug was was ze er weer. Met fris gemoed.

Vandaag, echter, lijkt haar iets dwars te zitten. Ze gaat tekeer op mijn handen met al haar instrumenten. Ik betrek het voor het gemak gewoon meteen even op mezelf en vraag me af of ik iets verkeerd gedaan of gezegd heb? Ik heb niet asociaal op mijn telefoon gezeten, want dat kan niet als iemand met je handen bezig is (helaas). Misschien heeft ze iets tegen me gezegd? Heb ik er niet op gereageerd omdat ik in gedachten met keukenmessen over de porseleinafdeling van de Bijenkorf rende?

Ze vijlt mijn nagelbed zo hard dat het brandt, ze jast de vellen van mijn vinger met een tang. Rits rits rits scheur knip knip. Naast mij is een oude mevrouw gaan zitten met een stevige watergolf en dito postuur. Ze legt haar handen op de tafel. Prachtige oude handen. Dezelfde dikke vingers als mijn oma. Met ringen die de brandweer er op een dag vanaf moet knippen. „Doe maar dezelfde kleur hoor”, zegt ze met een Amsterdams accent. „Vind ik leuk, zo met die spikkeltjes.”