OM eist tot 17 jaar in hoger beroep tegen Utrechtse liquidatiebende

Het OM duidt de criminele organisatie als een ‘uitzendbureau voor moorden op bestelling’.

Pistolen, revolvers, automatische wapens, munitie en handgranaten werden aangetroffen in een opslagruimte in Nieuwegein.
Pistolen, revolvers, automatische wapens, munitie en handgranaten werden aangetroffen in een opslagruimte in Nieuwegein. Foto Koen van Weel/ANP

Het Openbaar Ministerie (OM) in Amsterdam heeft donderdag in hoger beroep opnieuw hoge gevangenisstraffen geëist tegen vijf verdachten in het onderzoek genaamd 26koper. Deze zaak gaat over een criminele organisatie die het OM aanduidt als een “uitzendbureau voor moorden op bestelling”. Tegen drie verdachten is zestien jaar geëist, tegen twee anderen zeventien jaar. Het OM verdenkt de vijf onder meer van het voorbereiden van één of meer moorden, deelname aan een criminele organisatie en bezit van een groot aantal wapens en munitie.

De zaak kwam in 2015 aan het licht toen de politie in een opslagbox in Nieuwegein een grote hoeveelheid wapens en munitie aantrof. Bovendien vond de politie een boekhouding waarin inkomsten uit drugshandel werden verantwoord. Ook de uitgaven werden genoteerd. Het geld werd volgens justitie besteed aan wapens, auto’s, huurmoordenaars en mensen die mogelijke slachtoffers volgden en observeerden.

Lees ook: Een uitzendbureau voor moord op bestelling

Liquidatieplannen

In november 2016 werden de vijf verdachten veroordeeld tot gevangenisstraffen van zeven en acht jaar. De straffen vielen een stuk lager uit dan de eis van het OM omdat de rechter concrete liquidatieplannen niet bewezen achtte. Zo vond de rechter dat onder meer bewezen moest worden wie het beoogde slachtoffer zou zijn geweest. Tegen deze uitspraak ging het OM in hoger beroep.

Het OM is het hier niet mee eens en vindt dat de rechter “de lat te hoog legt”. Het OM vindt dat voorbereiding strafbaar is zodra is bewezen om welk soort misdrijf het gaat. “Vast moet staan dat de criminele intentie van verdachten gericht was op onder meer het plegen van een moord. Tijd, plaats en mogelijk slachtoffer is daarbij niet van belang.”