Meisjes onder elkaar

Karima Aissaoui schildert met demente ouderen. Ze schrijft columns op basis van haar ervaringen. Deel 2: zelfportret.

NATALIIA ZHEKOVA

‘Noem ons maar Bep en Aicha. Vandaag zijn we gewoon meisjes onder elkaar”, zegt Bep terwijl ze een slok van haar thee neemt. Aicha doopt haar kwast in een potje met azuurblauwe verf en lacht. Boven een grasveld met een beekje heeft ze het begin van een blauwe hemel getoverd. „Mooie kleur, Aicha.” Ik volg de bewegingen van haar kwast terwijl de hemel zich steeds meer uitstrekt over het vel papier. Om haar pols twee zilveren armbanden en aan de buitenkant van haar hand een Berbertattoo. Zo eentje die m’n moeder ook had. M’n moeder vertelde me ooit dat de tattoos uit de Berbercultuur bescherming boden tegen kwade energieën. Ik vond het een mooie gedachte.

„Ik denk niet dat ik er veel van bak, m’n kind”, had Aicha gezegd toen ik de twee dames in de lobby vroeg om een keer mee te komen schilderen. „We kunnen ook een bakje thee drinken en roddelen!”, hield ik vol. En zo geschiedde het. De dames parkeerden hun rollators en hadden plaatsgenomen aan de beukenhouten tafel in de salon op de tweede verdieping. De verfspullen op tafel bleken te verleidelijk om vanaf te blijven. „Wie is dat?”, vraagt Bep en ze wijst naar een vrouwengezicht dat Aicha op een willekeurige plek in het grasveld heeft geschilderd. „Dat ben ik”, antwoordt Aicha terwijl ze het laatste stukje wit op haar schilderij wegwerkt. Ze legt de kwast neer en strijkt haar kleurrijke kaftan glad. Bep is niet overtuigd. „Maar die tanden lijken niet op die van jou. Wat een enorme ruimte tussen de voortanden!”

Aicha werpt een blik op haar schilderij. „Ik had een spleet tussen m’n tanden vroeger. Nou heb ik dit plastic gevaarte in m’n mond waarmee ik m’n eten moet wegwerken, God zij verheven!” Aicha wijst naar boven. Bep kijkt fronsend naar haar vriendin. „Ik had ook lang zwart haar dat reikte tot aan mijn middel”, vervolgt Aicha trots. Bep lijkt het even niet meer te volgen. „Onder je hoofddoek?” Aicha glundert. „Nee hoor, ik ben niet geboren met een hoofddoek op! Ik liet m’n haren los. En alle jongens uit m’n geboortedorp in Marokko zaten achter me aan. M’n arme vader heeft er de nodige hoofdpijn aan overgehouden, moge God zijn ziel genadig zijn.”

Aicha vouwt haar handen in elkaar en kijkt naar buiten. Ze lijkt weg te drijven op een nostalgische wolk. Bep schijnt niet geïnspireerd om iets op papier te zetten. „Misschien kun jij ook een zelfportret maken”, stel ik voor. Bep negeert me. Ze kijk van Aicha naar Aicha’s schilderij en weer naar Aicha. „Ik vind je nu ook mooi, meid. Met of zonder die vreemde tanden.”

Om de privacy van de betrokken ouderen te respecteren, zijn herkenbare details aangepast.