Recensie

Recensie Muziek

Meeslepende ‘Porgy & Bess’ mist echt rauwe energie

Opera Voor het eerst brengt De Nationale Opera Gershwins ‘Porgy and Bess’. Het koor is geweldig en de zangers zijn overwegend uitstekend, maar de voorstelling is ook gepolijst. Soms mis je rauwe vonken.

Adina Aaron (Bess) en Eric Owens (Porgy) in Porgy and Bess bij De Nationale Opera
Adina Aaron (Bess) en Eric Owens (Porgy) in Porgy and Bess bij De Nationale Opera Foto BAUS

Het verhaal óver Porgy and Bess (1935), de eerste en enige opera van George Gershwin, is mogelijk bekender dan het verhaal dat erin verteld wordt. Dat verhaal luidt: een ‘Amerikaanse’ opera, een succesvolle cocktail van jazz, klassiek en Afro-Amerikaanse spirituals die evergreens als Summertime heeft voortgebracht. En: een opera die gezongen moet worden (Gershwin liet dat testamentair vastleggen) door een geheel zwarte cast.

Bekijk hier een trailer van dezelfde productie in Londen (andere cast)

Woensdag was de Amsterdamse première van een nieuwe productie van Porgy and Bess, die eerder in Londen te zien te was en nog naar New York gaat. Een geheel zwarte operacast was in 1935 ongehoord, maar blijft ook in 2019 een zeldzaamheid. En de vraag of een witte componist een zwart verhaal mag verklanken bezit een verhevigde actualiteit, nu discussies over culturele toe-eigening soms grimmige vormen aannemen en racisme allesbehalve is uitgebannen.

Magnetische Bess

De kracht van deze Porgy and Bess, zeker in de uitgesponnen openingsscène, is dat zulke overwegingen onmiddellijk naar de achtergrond verdwijnen. Het verhaal speelt zich af in een fictieve arme visserswijk van Charlesville, South Carolina, en de bruisende gemeenschap daar wordt grandioos geportretteerd. Het decor wordt gedomineerd door een opengewerkt, U-vormig houten huis van twee verdiepingen op een draaischijf, dat schitterend uitgelicht een universum op zichzelf vormt. Tientallen kleurrijke, met jeu vertolkte buurtbewoners krioelen in en uit, dollen en zingen of waken en bidden wanneer de mannen in hun vissersboten een storm trotseren.

Porgy is een kreupele goedzak, Bess een stralende vrouw in de greep van verleidingen: drugs en bad guy Crown. Hun entrees zijn vernuftig gechoreografeerd en maken de verhoudingen direct duidelijk. Porgy, een ronkende prachtrol van bas Eric Owens, is even vriendelijk en deemoedig als koppig. Bess (sopraan Adina Aaron) is een magnetische verschijning. Aarons vocale timing was soms wat hoekig, maar haar krachtige geluid vervoerde, vooral in het lagere register.

Lees ook dit interview met Adina Aaron

Huiveringwekkende aanranding

Bariton Nmon Ford vloog maandag in vanuit de VS om in te vallen als Crown, de rol die hij afgelopen herfst in de Londense voorstellingen ook heeft vertolkt. Hij levert een uitzonderlijke prestatie: Ford zet Crown complex neer, vitaal en destructief, dodelijk aantrekkelijk, met continu een dreigende onderstroom. De scène waarin hij Bess aanrandt, verleidt, meesleurt, is huiveringwekkend. Vocaal overtuigt Ford eveneens, al mist hij soms volume.

Als Crown bij het dobbelen iemand vermoordt en moet vluchten, neemt Porgy Bess in huis. Aan echte chemie tussen hen lijkt het te schorten, althans tot de climax van het klassieke duet I loves you, Porgy. Toch raakt de voorstelling je pas in de buik wanneer Bess voor de verleidingen zwicht: ze blijkt toch niet immuun voor Crowns aantrekkingskracht.

Porgy doodt Crown en wordt meegenomen voor verhoor. De politie ziet hem, een mankepoot, echter niet als verdachte. Maar wanneer Porgy thuiskomt is Bess er opnieuw vandoor, nu met drugsdealer Sportin’ Life, een vocaal niet steeds even geraffineerde, maar exuberante rol van tenor Frederick Ballentine.

Zinderend rubato

Het geweldige koor, speciaal samengesteld voor de productie, is een van de hoofdrolspelers. Vooral in Gershwins ‘spirituals’ is het effect sterk: zoals de slotnoten van Summertime veelstemmig worden bijgekleurd is magisch, evenals het opjutten van de dobbelaars (‘Roll dem bones’). Het ensemble herbergt bovendien uitstekende solisten, die de subplots indringend gestalte geven. Het Nederlands Philharmonisch imponeert onder dirigent Gaffigan qua klank en veelzijdigheid, maar mist soms de rauwheid en de losse precisie die is vereist voor groove, swing en het van anticipatie zinderende rubato van een spiritual. Jammer ook: de solobarpiano van de ouverture is geschrapt.

Een van de mooiste momenten, nagenoeg a capella, speelt zich af rond Bess’ ziekbed, waarin ze na haar dagenlange uitspatting met Crown ligt te ijlen. Aangevoerd door Serena (sopraan Latonia Moore) drijven de buurtbewoners Bess’ boze geesten uit met de bezwering ‘Oh, doctor Jesus’. Moores in gospel gedrenkte vertolking snijdt door de ziel. Maar juist door de rauwe kracht van die scène besef je dat de voorstelling overall erg gepolijst is en dat de regie na het overrompelende begin weinig verrast. Het wuft glanzende armeluis-Charleston blijft opera en laat zijn bezoekers ongeschonden huiswaarts keren.