Recensie

Multimiljonair Victor (39) vindt het absurd dat hij zo rijk is

Alexander SchimmelbuschWaarom woont deze bankier in een glazen villa, terwijl andere Duitsers drie baantjes hebben om te overleven? In de bestseller Opperduitsland presenteert Alexander Schimmelbusch het Duitse antwoord op Houellebecq. (●●●●)

Het zakendistrict van Frankfurt, januari 2019.
Het zakendistrict van Frankfurt, januari 2019. Foto: AP Photo

Victor is 39, investmentbanker, multimiljonair en weet precies hoe zijn verschijning zijn socio-economische positie kan onderstrepen. De hoofdpersoon in de zojuist vertaalde roman Opperduitsland rijdt in een elektrische Porsche, heeft een Patek Philippe om de pols, drinkt Richebourg en reist uitsluitend in stoel 1C van de businessclass. Als hij zijn kind ophaalt bij het schoolplein laat hij zijn telefoon in zijn zak om te laten zien dat hij ook zonder veel inspanning aan zijn bonussen komt. Eigenlijk vindt Victor het zelf ook van een absurde willekeur dat hij baadt in welvaart terwijl andere Duitsers drie baantjes hebben om het hoofd boven water te houden. Hij, de analist, partner in een bank gespecialiseerd in fusies en overnames, komt tot het inzicht dat het de concurrentiepositie van Duitsland zal ondermijnen als de ongelijkheid verder in stand blijft. Op een namiddag schrijft hij een politiek programma waarin hij een radicale correctie voorstelt, dat, natuurlijk, een eigen leven gaat leiden.

De post-Piketty-roman Opperduitsland, het vierde boek van de Oostenrijker Alexander Schimmelbusch (1975), werd vorig jaar bij het verschijnen in Duitsland een hit, de auteur werd onthaald als een literaire profeet. Volgens Schimmelbusch, in een interview in Trouw, ging de Kanzlerin zelf met potlood door de roman om sleutelpassages te markeren. Toen in de nazomer van 2018 rellen in Chemnitz uitbraken, werden Schimmelbusch’ zienerskwaliteiten bevestigd, want in zijn boek beschrijft hij al de langdurige animositeit van een groot deel van Duitsland jegens de bestuurders en elites, over de effecten van de globalisering op de arbeidsmarkt, en immigratie, en schrijft Schimmelbusch: ‘Waar waren de mestvorken? Waarom oliede niemand een guillotine?’

Privé-concentratiekamp

De Süddeutsche Zeitung noemde Opperduitsland ‘Een Duits antwoord op Michel Houellebecqs Onderworpen’, wat nu ook op de flap van de Nederlandse editie prijkt. Een vergelijking die voor de hand ligt, aangezien Schimmelbusch in stijl en thematiek sterk is beïnvloed door de Franse misantroop, ook in zijn eerdere boeken, en omdat Houellebecq in Onderworpen eveneens een politiek toekomstbeeld schetst waar de huidige wankele status quo zomaar eens in uit zou kunnen monden. Het citaat verraadt ook een zekere Duitse afgunst naar het bijtende cynisme van Houellebecq, het louterende zuur van de doorleefde zinloosheid waar de Fransen patent op hebben – een houding die de Duitsers zich maar moeilijk kunnen permitteren door het gewicht van hun geschiedenis.

Lees ook: Niemand in het Westen zal nog gelukkig zijn

Een vergelijkbaar besef althans krijgt vat op Victor, die het leven waarin hem niets ontbeert, niet zo lichtzinnig kan nemen als hij eens had gehoopt. Door toeval kon hij ooit studeren aan de London School of Economics, waar hij gerekruteerd werd door een grote bank. Daar werkte hij de eerste jaren etmaal aan etmaal, om alleen rond zonsopgang een taxi naar huis te nemen, om onder de douche te gaan terwijl de chauffeur buiten wachtte om hem terug te rijden naar het bankgebouw. Nu is hij partner bij een kleine bank gevestigd in Frankfurt. Hij woont in een villa met veel glas in de heuvels van de Taunus, ten noorden van Frankfurt, zijn vrouw is met kind vertrokken.

Zijn privileges, vindt Victor, zijn niet te rechtvaardigen. Hij heeft veel uren in zijn kantoor besteed, ja, en hij voelt feilloos aan hoe hij zijn opdrachtgevers kan vleien: ‘al in zijn kindertijd was hij ermee begonnen voor de interactie met de ander een op maat gesneden persona te ontwikkelen, die de ander moest tonen wat die verwachtte, en datgene moest geven wat hij of zij wilde, terwijl Victor achter de daaruit resulterende gebruikersinterface verscholen kon blijven.’

Eigenlijk berust de rijkdom van de hele financiële elite op toeval, vindt Victor, en bovendien in het geval van veel Duitse industriëlen op de massagraven van dwangarbeiders in de Tweede Wereldoorlog. Schimmelbusch houdt in zijn roman weinig façades overeind; niet die van de Deutsche Bank die in de jaren veertig vooraan stond om de concentratiekampen te financieren, of van BMW, dat een privé-concentratiekamp bestierde. Daar komt nog bij dat in Duitsland, net als elders, de sociale mobiliteit tot een nulpunt is gedaald. Het kapitaal blijft opgepot. ‘Uit de verkrampte dwangmatigheid waarmee de Duitse miljardairsfamilies hun vermogen voor eeuwen wilden veiligstellen sprak volgens hem het beschamende inzicht dat er niet veel meer zou volgen; dat met die ene opportunist die tijdens het Derde Rijk de grondslag had gelegd voor het latere diepvriespizza-imperium, niet in de laatste plaats dankzij een kopje thee met de Führer af en toe, het hele potentieel van het geslacht al opgesoupeerd was.’ De Oetkertjes dus.

Pekingeend

Tot slot is daar het malafide verdienmodel van de tak van bankieren die Victor zijn fortuin heeft gebracht; die van fusies en overnames. Victor tekent uit - Opperduitsland bestaat voornamelijk uit zijn essayerende gedachtestroom – hoe in de jaren tachtig ‘risicospreiding’ het dictaat was, en hoe banken voorrekenden hoe de uitbreiding van activiteiten een goed idee was; toen vervolgens alles was overgenomen wat over te nemen viel bedachten ze de ‘focus op een core-business’, specialiseren, en kon alles weer worden afgestoten met behulp van de bereidwillige bankiers van mergers and acquisitions.

Schimmelbusch kan het weten, want hij werkte zelf bij zo’n bank in Londen tot zijn romandebuut in 2006. Vandaar ook dat hij precies weet wat er gedronken, gedragen en gereden wordt in die kringen, hoewel zijn nauwkeurige beschrijving van het merkenfetisjisme ook gedateerd aandoet, aangezien het al gethematiseerd wordt sinds Warhol, door schrijvers als Don DeLillo en later Bret Easton Ellis, en, in het Duitse taalgebied, door de onvolprezen Christian Kracht. Misschien hoopt Schimmelbusch dat de bankierslifestyle met deze laatste precisie-schets voorgoed ten grave kan worden gedragen.

Op een middag in een inwisselbare hotelsuite, nadat de roomservice een kapitale fles wijn en een pekingeend heeft bezorgd, begint Victor te schrijven aan een plan, zoals hij dat ook voor zijn opdrachtgevers zou schrijven, maar nu gericht aan de machthebbers van de Bondsrepubliek. Ongelijkheid is voor Victor niet een moreel probleem, maar een concurrentievraagstuk, want talent wordt nu niet afdoende gecultiveerd, de helft van alle Duitsers is tot levenslang in de lagelonensector veroordeeld, en er wordt lafhartig meegespeeld op de globale markt in plaats van dat Duitsland zelf de voorwaarden bepaalt. China en de VS lopen voor op techgebied, een sector waarvan het belangrijkste Duitse exportproduct tot nog toe sjoemelsoftware in auto’s is. Victors radicaalste voorstel: er komt een absoluut vermogensplafond van 25 miljoen euro, alles daarboven wordt door een nationale autoriteit geïnd en geïnvesteerd in onderwijs en innovatie. Als een investeerder die een bedrijf grondig komt hervormen, zo ziet Victor zijn rol in de BV Duitsland.

Goedkope smaak

Opperduitsland is geprezen omdat het plan van Victor toont hoe kritiek op het kapitalisme van binnenuit kan komen: bankier vertelt hoe het winstgevender kan voor de gehele bevolking. Toch mist een dergelijke optimistische interpretatie de pointe. Veel meer toont Schimmel-busch hoe politiek failliet het marktkapitalisme is, terwijl er parameters ontbreken om een systeem te denken dat buiten termen als ‘concurrentiepositie’ en ‘ondernemingsregering’ functioneert. De BV Duitsland van Victor is gedoemd uit te monden in een totalitaire staat, waarin iedereen werknemer is en zich optimaal moet ontplooien om de staat van dienst te zijn. Eigenlijk lijkt Victors plan nog het meest op het Chinese staatskapitalisme.

Daarmee is Opperduitsland, alle politieke vergezichten ten spijt, een uiterst somber boek. Victor handelt niet uit morele overtuiging, hij wil gewoon iets teweegbrengen, anders dan anoniem met miljoenen schuiven; eigenlijk had hij het liefst een roman geschreven. En tegelijk voelt hij zich, ondanks al zijn dédain voor de middenklasse (hij weidt graag uit over hun goedkope en smakeloze consumptiepatroon), onverdiend geprivilegieerd, waar hij niet anders uitdrukking aan weet te geven dan weer het zoveelste strategische businessplan te schrijven. Dát is de werkelijke armoe, suggereert Schimmelbusch.

Dystopisch

Hoe Victor is gevangen in zijn gestolde materiële universum ontwikkelt Schimmelbusch overtuigend. Maar hij laat zijn hoofdpersoon stranden door diens innerlijk leven aan het einde van de roman te reduceren tot diens verregaande onverschilligheid over zijn eigen plan, en, ter compensatie, weeë dialogen met zijn dochter Victoria. Uiterlijk blijft Victor een cynicus, met een sluimerend rechtvaardigheidsgevoel dat nergens opvlamt, en dat wringt: dat Victor zich graag achter zijn gebruikersinterface verschuilt betekent niet dat de lezer daar genoegen mee neemt. Op de gezochte toon van die latere dialogen na is Schimmelbusch een opmerkelijke stilist, die, in het Duits, schatplichtig is aan het wat obsessieve, hyperbolische proza van Thomas Bernhard. Dat komt in de vertaling over het algemeen goed uit de verf, zij het dat het directe Nederlands soms wat aan Duitse omzichtigheid inboet.

Lees ook de column van Lotfi El Hamidi: Mensen van het laatkapitalisme

Het motto van het boek ontleent Schimmelbusch aan de mission statement van McKinsey & Company: ‘Het is onze wens een feitenbasis en een interpretatiekader voor noodzakelijke debatten te leveren. Het gaat er ons daarbij niet om een afgewerkt recept of een bepaald streefdoel te bieden maar wel om speelruimten te schetsen.’ Schimmelbusch schuwt sowieso de consultancy-taal niet, want zijn hoofdpersoon denkt nu eenmaal in termen als work-lifebalance, pitchoffensief en challenges. Het motto sluit ook uitstekend aan op wat Schimmelbusch in Opperduitsland doet: een speelruimte schetsen waarin de ‘kerkhofrust van het laatkapitalisme’ kan worden verstoord. Die ruimte is echter, overeenkomstig de whiteboards van onze consultant-bestuurders, bedroevend klein, als we Schimmelbusch’ dystopische roman mogen geloven.

    • Nynke van Verschuer