Recensie

Recensie Beeldende kunst

Expo ‘Vrijheid’: slimme en lichte suggesties voor een nieuwe kunstcanon

Er valt veel te lachen op de expo Vrijheid in Museum de Fundatie in Zwolle. Maar de opzet van samensteller Hans den Hartog Jager is ambitieus: de invloedrijkste Nederlandse kunstwerken van de afgelopen vijftig jaar tonen.

Viviane Sassen, DNA (2007)
Viviane Sassen, DNA (2007)

Is vrijheid grappig? Best wel, er valt namelijk veel te lachen op de tentoonstelling Vrijheid in Museum de Fundatie (Zwolle), waar de vijftig meest kenmerkende Nederlandse kunstwerken uit de afgelopen vijftig jaar zijn verzameld. Niet hardop schaterlachen misschien, maar wel gniffelen en glimlachen.

Zo is de geest van 1968 duidelijk aanwezig in de levensgrote stoffen insecten van Ferdi of de perspectiefcorrectie van Jan Dibbets, maar ook iemand als Melanie Bonajo maakt in het begin van deze eeuw met haar Fake Paradise kleurige kunst die zowel idealistisch als absurd overkomt. Buitengewoon geestig is ook K.M. Wiegand, life and work – een biografisch beeldverhaal van Marcel van Eeden over een multifunctionele en volkomen fictieve held die onder andere straaljagerpiloot, bokser en echtgenoot van Elizabeth Taylor was: een soort Ik Jan Cremer in het kwadraat.

Ook het oneindig spiegelende polderlandschap met slootje van Job Koelewijn (Jump) of een door Rob Scholte in kleur overgeschilderd krantenartikel over zichzelf (Nostalgia) roepen een glimlach op, nog voordat je je hebt afgevraagd waarom ze hier als ‘kernkunstwerken’ tentoongesteld zijn, en wat ze met vrijheid te maken hebben.

Rob Scholte, Nostalgia (1988)

Het smalle pad van de vrijheid

De ambitie van samensteller Hans den Hartog Jager is niet gering. Hij wil ‘de belangrijkste, beste, invloedrijkste kunstwerken bij elkaar brengen die de afgelopen vijftig jaar in Nederland zijn gemaakt,’ zo schrijft hij in het bijbehorende boek. Zo hoogdravend, daar moet je ook om lachen – maar er zit een behendige gedachtesprong achter.

Deze tentoonstelling is samengesteld vanuit het besef dat er niet meer zoiets bestaat als een kunstgeschiedenis. Ergens in de jaren tachtig hield die op, ongeveer tegelijk met de politieke geschiedenis, tenminste in de laat-kapitalistische versie ervan zoals de onvermijdelijke Francis Fukuyama die beschreef.

Er zijn geen stromingen waartegen een kunstenaar zich kan afzetten, er worden geen manifesten geschreven waarachter men zich kan scharen. Wie kunst kan maken, heeft maar één keuze: die van het smalle pad van de volkomen vrijheid. Er bestaat helemaal niet meer zoiets als ‘belangrijkste, beste, invloedrijkste’ – maar daar wil Den Hartog Jager zich niet door laten ontmoedigen. Hij wil juist, in alle vrijheid, laten zien waartoe Nederlandse kunst de afgelopen halve eeuw in staat was al is het maar volgens zijn persoonlijke idee.

Het is waarschijnlijk toeval maar wel veelzeggend dat verscheidene kunstwerken ook te zien waren op de tentoonstelling die vorige week in het Amsterdamse Stedelijk Museum werd afgesloten, over Amsterdam als ‘Magies Sentrum’ aan het eind van de jaren 1960. De kleurige werken van Ferdi, de anonimiteit van stanley brouwn en de perspectiefcorrecties van Dibbets markeerden in 1968 de machtsgreep door de verbeelding, en ze vormen het startpunt van Den Hartogs tentoonstelling.

Ferdi, Clementines Dream (1968)

Daarna gaat het alle kanten op: Vrijheid is een veelzijdige staalkaart, met de persoonlijke kunst van Bas Jan Ader (huilend in de camera), de (ook alweer erg grappige) bedrieglijke familiefoto’s van Hans Eijkelboom waarbij elk huiselijk portret een andere vrouw en andere kinderen laat zien, geschilderde bloemen van Erik Andriesse en van Maria Roosen de installatie Bed met glazen borsten op een omgewoeld bed. De tentoonstelling is veelzijdig, vrij en licht van toets, zij het met bij de kunstwerken wat al te sturende tekstjes die vaak benadrukken dat het werk meer wil zeggen dan je op het eerste gezicht denkt.

De wereldpolitiek gooide roet in het eten van de lichte toets. De kunstgeschiedenis werd daar weliswaar niet grimmiger van, maar de sporen van de maatschappelijke werkelijkheid komen hoe langer hoe meer naar voren.

In de filmbeelden van een bewoonde vuilnisbelt in Indonesië bijvoorbeeld (van Jeroen de Rijke en Willem de Rooij) of in de Raw Footage van Aernout Mik, die nieuwsbeelden verzamelde uit de Balkanoorlog die te gewoon werden bevonden om op het nieuws te vertonen maar die in hun nietszeggendheid die oorlog misschien juist nog wel dichterbij brengen.

Pas dan is er werkelijk sprake van stuurloze vrijheid. De keuzes die in de tweede helft van de tentoonstelling te vinden zijn, getuigen misschien ook nog wel meer van Hans den Hartog Jagers missie: mooi, lelijk, bekend, onbekend, conceptueel of geschilderd – alles is mogelijk. Hier wordt het een tentoonstelling die als het ware voorstellen tot canonisatie doet, een suggestie voor een nieuwe kunstgeschiedenis.

Den Hartog Jager heeft nadrukkelijk geprobeerd om buiten zijn eigen ‘bubble’ te kijken en ook gemarginaliseerde kunstenaars aan bod te laten komen. Op die manier wordt deze tentoonstelling een beetje het vervolg op een boek dat hij in 2011 met Pieter Steinz maakte: Verleden in verf: de Nederlandse geschiedenis in veertig schilderijen, waarin ook te zien was hoe kunst zich tegenover de maatschappij verhield, en waarin schoonheid evenmin waardenvrij was.

Lees ook: De geschiedenis geschilderd

Engelen

De nadrukkelijkste manier waarop deze tentoonstelling zich met de kunstgeschiedenis wil bemoeien, is het recreëren van een verdwenen kunstwerk: ‘Engelen’ van Moniek Toebosch. Dat was midden jaren negentig een technologisch hoogstandje. Op één plek in Nederland kon je op een FM-radio etherische klanken ontvangen: door Toebosch zelf opgenomen gezang. Daarvan is bij gelegenheid van deze tentoonstelling een nieuwe versie gemaakt met eigentijdse technologie: een app die alleen geluid geeft als je op die ene plek bent. De toeschouwer die wil luisteren, heeft niets te kiezen; die moet naar de Houtribdijk bij het IJsselmeer. De app wijst de weg.

Zijn dit nu echt de kernkunstwerken van de laatste vijftig jaar? Natuurlijk niet, dat kan niet, dat weet het museum, dat weet de kijker. Dat we met zijn allen doen alsof, is onweerstaanbaar grappig.