Beter zicht op bedreigde diersoorten

Natuurbescherming Een rekenmodel naast de gouden standaard van de Rode Lijst laat zien waar hiaten zitten in de bepaling van het uitsterfrisico.

Hoe bepaal je hoe bedreigd een diersoort is? Meestal gebruiken natuurbeschermers daarvoor de Rode Lijst, samengesteld door de internationale natuurbeschermingsorganisatie IUCN. Maar dat standaardwerk is aan verbetering toe, volgens ecoloog Luca Santini van de Radboud Universiteit in Nijmegen. Sommige diersoorten blijken méér risico te lopen op uitsterven dan tot nu toe gedacht, andere soorten zijn juist mínder bedreigd dan de Rode Lijst weergeeft. Dat schrijft hij deze week in het wetenschappelijk tijdschrift Conservation Biology. Samen met collega’s ontwikkelde Santini een nieuwe methode om de status van Rode Lijst-soorten te beoordelen.

De Rode Lijst, samengesteld door de internationale natuurbeschermingsorganisatie IUCN, vermeldt van ruim 90.000 diersoorten wereldwijd of ze ‘niet-bedreigd’, ‘gevoelig’, ‘kwetsbaar’, ‘bedreigd’, ‘ernstig bedreigd’, ‘uitgestorven in het wild’ of ‘uitgestorven’ zijn. Daarnaast is er een categorie voor soorten waarvan te weinig gegevens beschikbaar zijn. Welke status een dier krijgt, hangt af van de populatieomvang, het verspreidingsgebied en trends in toename of afname. Elk jaar komt er minstens één nieuwe versie van de lijst uit.

Voorkeuren en veranderingen

De nieuwe aanpak van Santini en zijn collega’s is gebaseerd op voorkeuren van een soort voor een bepaald type leefomgeving én op veranderingen in landgebruik, omdat die bepalen of een gebied leefbaar is voor de desbetreffende soort. Ook kijken ze naar de mate van fragmentatie: een sterk versnipperde populatie is ongunstig voor de overlevingskansen van een soort. Met behulp van die gegevens bepalen de onderzoekers hoe de verspreiding van soorten in het recente verleden is veranderd. Die informatie verwerken ze in statistische modellen, waarmee ze niet alleen populatieomvang bepalen, maar ook in hoeverre een soort in staat is om zich door gefragmenteerde landschappen te verspreiden.

De ecologen pasten hun methode toe op 4.835 zoogdier- en 10.378 vogelsoorten. Over het algemeen lijkt hun categorisering op die van de Rode Lijst, maar ruim 4 procent van de soorten (467 vogelsoorten en 143 zoogdiersoorten) is afgaande op de nieuwe methode sterker bedreigd dan gedacht. Zo worden onder andere de Seychellentorenvalk (Falco araeus) en de Ethiopische gestreepte muis (Muriculus imberbis) wel degelijk bedreigd, concluderen de auteurs, terwijl ze volgens de Rode Lijst respectievelijk in de categorie ‘kwetsbaar’ en ‘niet-bedreigd’ vallen.

Een minder bedreigde status

Tegelijkertijd zijn er opvallend veel soorten die volgens de methode van Santini een mínder bedreigde status krijgen toebedeeld: 10 procent van de vogelsoorten en bijna 20 procent van de zoogdiersoorten. „Maar”, zo benadrukt hij per e-mail, „onze methode is gericht op habitatverlies en de gevolgen daarvan, en bijvoorbeeld niet op overexploitatie (zoals jacht). Als gevolg daarvan schatten wij soorten in principe als minder bedreigd in dan ze in werkelijkheid zullen zijn.”

Dat klinkt niet heel nuttig, geeft Santini toe, „maar als we dan tóch een soort ontdekken die volgens ons bedreigder is dan tot nu toe werd gedacht, dan kan dat erop duiden dat er met die Rode Lijst-meting waarschijnlijk iets fout is gegaan. We willen dan ook niet ingaan tegen het oordeel van experts, maar juist aanvullende informatie bieden.”

Zo krijgen soorten die op de Rode Lijst zijn ingedeeld bij ‘te weinig gegevens’ met de nieuwe methode wél een status toebedeeld. Daarvan zijn 10 vogelsoorten en 114 zoogdiersoorten (20,2 procent van die gehele groep) volgens Santini bedreigd, zoals de luzonral (Lewinia mirifica, een Filippijnse vogelsoort) en Williamsons kantjil (Tragulus williamsoni, een Aziatisch dwerghert).

Conservatiebioloog Stuart Pimm van de Amerikaanse Duke University, niet bij het onderzoek betrokken: „Santini’s artikel is waardevol omdat het laat zien dat er waarschijnlijk veel meer soorten bedreigd worden dan tot nu toe gedacht wordt. Het in kaart brengen van verandering in landgebruik, zoals hij heeft gedaan, is daarbij heel belangrijk.”