Koninklijke cadeaus, vorstelijke problemen: hoe de Oranjes omgaan met geschenken

Achtergrond Donderdag is de eerste van twee veilingen met kunst en antiek uit de koninklijke collectie. De beroering die iedere Oranje-verkoop veroorzaakt, lijkt eenvoudig te voorkomen.

Gotische Zaal van Paleis Kneuterdijk, door Willem II gebouwd voor zijn kunstcollectie, op een aquarel uit 1846 van Augustus Wijnannz.
Gotische Zaal van Paleis Kneuterdijk, door Willem II gebouwd voor zijn kunstcollectie, op een aquarel uit 1846 van Augustus Wijnannz. Collectie Rijksmuseum Amsterdam

Als koning krijg je heel wat cadeaus. En niet alleen krentenmikken die door de stalmeester ongemerkt achter de rodondendrons worden gesodemieterd, om met Wim Sonneveld te spreken.

Maar wat te doen met al die geschenken? Sommige giften maken de Oranjes stilletjes te gelde met onderhandse verkopen waarbij betrokkenen om geheimhouding wordt verzocht. In andere gevallen gebeurt dat met openbare verkopen. Zoals deze donderdag en op 30 januari, als Sotheby’s in totaal 25 kavels met kunst en antiek uit het familiebezit van de Oranjes veilt.

Al sinds de jaren zeventig verkondigt de Rijksvoorlichtingsdienst (RVD) dat de Oranjes officiële geschenken niet verkopen. Het is „goed gebruik in de familie”, zo laat de dienst weten, om cadeaus te laten beheren door de Stichting Koninklijke Geschenken en de Stichting Officiële Geschenken van het Huis Oranje-Nassau, beide in 2007 opgericht.

Zonder het te vragen verkocht Bernhard een kostbaar geschenk

Toch worden ook geschenken aan de koning en andere leden van het Koninklijk Huis van de hand gedaan. Die tegenstrijdigheid is een belangrijke verklaring voor de consternatie waartoe Oranje-verkopen keer op keer leiden. Steeds opnieuw verschijnen er voorpaginaberichten en worden Kamervragen gesteld. Zo ging het in 1850, toen de erfgenamen van koning Willem II zijn fabuleuze kunstverzameling per opbod verkochten. En zo ging het begin deze maand dus ook met de ‘property of a princess’ die bij Sotheby’s wordt aangeboden, waarschijnlijk door prinses Christina.

Lees ook: Koninklijke familie laat deel kunstcollectie veilen

Voorstudie van Peter Paul Rubens voor een altaarstuk (1608). Foto Sotheby’s

Een belangrijke tekening van Rubens en met tulpen versierde glazen tafeldecoratie van de Franse art-decokunstenaar René Lalique zorgden voor de meeste beroering. Kenners merkten deze kunstwerken onmiddellijk aan als onmisbaar nationaal erfgoed. De tafelornamenten waren een huwelijkscadeau voor Juliana van de Nederlandse ambassadeurs in het buitenland.

Dat de Oranjes de herkomst van hun bezittingen zelf soms uit het oog verliezen, bleek dinsdagmiddag. De RVD maakte bekend dat de tafelornamenten uit de voor deze donderdag geplande veiling waren teruggetrokken. Dat het een cadeau van ambassadeurs betrof stond duidelijk in de catalogus vermeld, maar pas na vragen van onder meer NRC herkende de eigenaar de glazen Lalique-tulpen alsnog als een officieel geschenk. Ze zijn inmiddels „op initiatief van de eigenaar” aangeboden aan de Stichting Officiële Geschenken van het Huis Oranje-Nassau.

Valse verklaringen

Hoe Oranje-verkopen wel eens met valse verklaringen gemaskeerd zijn, deed juwelenhistoricus Erik Schoonhoven afgelopen zomer uit de doeken. Dat deed hij in het artikel A Closer Look at the 1901 Queen Wilhelmina Nephrite Tray Last Seen in 1980, afgelopen zomer gepubliceerd op een site gewijd aan Fabergé, de beroemde edelsmid aan het keizerlijke hof van Rusland.

Schaal van Fabergé (1901, nefriet met goud en diamanten, lengte 34,4 cm). Foto Sotheby’s

Schoonhovens verhaal begint in het voorjaar van 1974. Net als nu dook toen in een veilingcatalogus een huwelijksgeschenk aan de Oranjes op. Een Fabergé-schaal van nefriet, een soort jade, met gouden handvatten, afgezet met een waterval aan diamanten – geschatte waarde in 1974 zo’n 400.000 gulden. De Nederlandse kolonie in Sint-Petersburg deed de schaal in 1901 cadeau aan de jonge koningin Wilhelmina, bij haar huwelijk met prins Hendrik.

Han J.A. Hansen, nieuwsjager voor de Volkskrant, ontdekte de schaal begin 1974 in de catalogus van een Christie’s-veiling in Genève. Op 11 april publiceerde hij op de voorpagina het bericht Koninklijk kunstbezit raadsel op veiling.

Op Paleis Soestdijk stond men voor een raadsel. „Terstond werden de kluizen gecontroleerd”, noteerde Hansen. Ook toen meldde de RVD dat de koninklijke familie „nooit geschenken verkoopt”.

Spectaculair: het koningshuis bestolen. Maar twee weken later verscheen in de Volkskrant een nieuw voorpaginabericht: Koningin verkocht gift omdat ze krap zat.

Volgens de RVD had Juliana in 1963 een aantal kostbaarheden verkocht. Het rijksbudget voor haar functie van koningin was destijds te laag naar haar zin. Om niet in te teren op het eigen vermogen had de familie daarom langs „discrete wegen” een aantal voorwerpen verkocht waarvoor na een brand in het Haagse paleis Noordeinde in 1948 toch „geen emplooi” meer was.

Schaal van Fabergé (1901, nefriet met goud en diamanten, lengte 34,4 cm). Foto Sotheby’s

Die verklaring, legt Schoonhoven uit, sloot aan bij een conflict over het staatsinkomen van de vorstin en haar echtgenoot. Na lang soebatten werd dat vanaf 1966 in fasen verhoogd van 2,5 naar 5,2 miljoen per jaar. Bovendien kwam het Rijk de koningin tegemoet door Paleis Soestdijk aan te kopen.

Een plausibele uitleg. Maar opnieuw niet de waarheid, onthult Schoonhoven meer dan veertig jaar later. Het was prins Bernhard die de schaal in 1963 had verkocht aan de Britse handelaar Wartski. Met een chique publicatie in het Britse tijdschrift The Connaisseur werd de schaal in juni 1962 alvast in de markt gezet.

Bij de door het Rijksmuseum gemaakte foto’s in het kunstblad stond dat die met toestemming van koningin Juliana en prins Bernhard waren gemaakt. Curieus, stelt Schoonhoven, want Wilhelmina was op dat moment nog de eigenaar van de schaal. En hoe kan het dat het hof negen jaar later, aan de vooravond van de Christie’s-veiling, veronderstelde dat de kostbare schaal was gestolen?

Daar is maar één plausibele verklaring voor, schrijft Schoonhoven: Bernhard heeft de schaal zonder medeweten van zijn echtgenote verkocht. Volgens de onderzoeker had de prins permanent geldzorgen en deed hij vaker kunst uit de koninklijke collectie van de hand voor privé-doeleinden. Met forse jaarlijkse donaties zorgde de prins ervoor dat zijn moeder op stand kon leven en ook moest hij vanaf 1962 voorzien in het levensonderhoud van zijn eerste buitenechtelijke dochter en haar moeder. „De prins was altijd op zoek naar cash”, schrijft Schoonhoven, „en ondertussen riep hij naar de buitenwereld het beeld op zuinig te zijn en klaagde hij voortdurend over een tekort aan middelen voor het koningshuis.”

Kritiek

Naar aanleiding van de verkochte Fabergé-schaal klonk in 1974 kritiek. Zo publiceerde het katholieke dagblad De Tijd op 19 april 1974 een commentaar waarin werd betreurd „dat de koninklijke familie op deze wijze beschikt over geschenken”. En: „Als men ‘emplooi’ voor de schaal had gezocht, dan had het Rijksmuseum met veel genoegen er een plaats voor ingeruimd in zijn verzameling van kunst uit de Jugendstil-eperiode.”

De Sotheby’s-veilingen van deze maand ontlokten vanuit museumkringen dezelfde kritische reacties. Waarom boden de Oranjes Nederlandse musea niet eerst de kans om nationaal erfgoed te behouden?

Prinses Juliana en prins Bernhard (1937). Foto ANP

Steun van de overheid voor die opvatting bleef echter uit. Ook dat is traditie. Al sinds de veiling van de kunstschatten van Willem II bemoeit de regering zich niet met Oranje-verkopen. Op zijn wekelijkse persconferentie liep premier Rutte afgelopen vrijdag vooruit op de beantwoording van Kamervragen over de veiling van de Rubens en Lalique-tulpen. Een „privé-kwestie”, aldus de premier. Kennelijk zag het kabinet geen noodzaak om te onderzoeken of minister Van Engelshoven (D66, Cultuur) een beroep op artikel 3.8 van de Erfgoedwet had moeten doen. Met een zogeheten spoedaanwijzing had zij de Rubens en andere oude tekeningen uit de collectie van Willem II als beschermd erfgoed kunnen aanwijzen.

Anders dan in 1850 wordt de laatste jaren bij koninklijke kunstverkopen soms hardop getwijfeld of de Oranjes wel privé-bezit verkopen. En ook: of de bezittingen die verkocht worden niet afkomstig zijn uit de Oranje-stichtingen die koningin Juliana om belastingtechnische redenen oprichtte.

Onafhankelijk onderzoek naar de eigendomskwestie is onmogelijk. Want anders dan de Britse koninklijke familie maken de Oranjes niet openbaar wat in hun stichtingen is ondergebracht. Het Koninklijk Huisarchief, de family office van de Oranjes, beoordeelt of te verkopen kunstvoorwerpen verkocht kunnen worden.

Boijmans-directeur Sjarel Ex deed woensdag 9 januari een moreel appèl aan de koninklijke familie om de veiling niet te laten doorgaan en zo Nederlandse musea de tijd te geven aankoopfondsen te werven. Ex bracht nog maar eens in herinnering dat het niet voor het eerst is dat de Oranjes de museumwereld zo overvallen. „Ik denk dan: kom nou eens met iets van regie.”

Heel ingewikkeld is de oplossing niet, zegt Ex. De Boijmans-directeur geeft zelf een voorzet. Maak openbaar wat in de koninklijke stichtingen is ondergebracht. Laat voorgenomen verkopen voortaan onderzoeken door onafhankelijke deskundigen, die kunnen vaststellen of het bijvoorbeeld om een geschenk gaat of niet. En gun Nederlandse musea de kans om eerst een bod op het erfgoed uit te brengen. Ongemakkelijke voorpaginaberichten, Kamervragen en de Rijksvoorlichtingsdienst die zich in bochten moet wringen zijn dan verleden tijd.

De RVD reageert niet op een vraag naar de verkoop van de Fabergé-schaal. Meer in het algemeen laat de dienst weten dat het inbrengen van geschenken in de Stichting Officiële Geschenken van het Huis Oranje-Nassau „een goed gebruik is en geen verplichting”. De stichtingen mogen dat wat is ingebracht niet vervreemden.

Reageren? Mail naar onderzoek@nrc.nl

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.

    • Arjen Ribbens