Opinie

Kaft

Marcel van Roosmalen

Ik word met enige regelmaat herinnerd aan een aangekondigde roman over mijn vader, niet in de laatste plaats door mijn moeder, die het onheil al zag naderen maar steeds vaker opgelucht constateert dat ze de eventuele boekpresentatie niet meer zal meemaken. „Er verschijnt van alles, maar dat gelukkig niet.”

Ze heeft zichzelf ervan overtuigd dat mijn vader het liefst vergeten wilde worden. Hij liet dan ook weinig sporen na. Ja, één treffer als je zijn naam intikt op Google: de overlijdensadvertentie die ik destijds zelf opstelde voor De Gelderlander. Ik las nog maar weer eens dat hij een lieve vader en opa was geweest en dat hij de laatste jaren milder was geworden. Ook voor zichzelf.

Ik interviewde een bejaarde zus, de enige overlevende uit een enorm Brabants gezin. Bij de laatste begrafenis beet ze me toe dat ze hoopte dat ik de opname nooit ging afluisteren.

En ik logeerde een nachtje in de bakkerij waar hij in de oorlog ondergedoken zat. In het gebouw zit tegenwoordig een bed and breakfast.

Van mijn vader geen spoor.

„Misschien heeft hij hier weleens in geroerd”, zei een van de vrouwen die de zaak runt, terwijl ze me een koperen wastobbe liet zien die in de tuin dienstdeed als enorme plantenbak.

„Was hij een van de Joden uit Amsterdam?”

Met het antwoord – „Nee, een bakkersknecht uit Middelbeers” – kon ze niets.

Mijn moeder kwam dit weekeinde met een laatste relikwie. Ze had het gevonden in de kist met kerstversiering. Een schilderijtje dat hij in 1949 uit Indonesië mee naar Nederland had genomen. Er stonden een palmboom en een rieten huisje op.

Niets bijzonders, meer kon hij als dienstplichtig militair waarschijnlijk niet betalen. Hij gaf het aan zijn moeder, het hing jaren in de gang van zijn geboortehuis in Middelbeers.

„Aan wie zal ik het geven?” vroeg mijn moeder zich hardop af. „Aan jou of aan je broer?”

Omdat mijn broer nog maar één oog heeft en met het andere nog geen twintig procent ziet, vond ik dat eerlijk gezegd een gelopen race – wat moest hij nou met zo’n miniatuurtje? – maar zo zat zij niet in de wedstrijd.

Ze nam een getal onder de tien in gedachten.

„Vier”, zei ik.

„Mis”, zei mijn moeder. „Dan gaat het naar hem.”

Daarna: „Het was wel een mooie kaft voor dat boek van je geweest.”

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.