Foto’s Kristin Lee Moolman/ PIAS

Baloji: ‘Ik houd ervan dat in de kunst alles ambivalent is’

Interview De Belgisch-Congolese Baloji mengt Europese house met Afrikaanse ritmes. Zondag speelt hij in Paradiso Noord in Amsterdam.

‘Best logisch”, vindt Baloji het dat een nummer over de cultuurshock van Afrikanen die in Europa arriveren, in de voetbalgame FIFA 2018 te horen is. De Belgisch-Congolese artiest treedt komende week twee keer op in Nederland, een groot deel van het Nederlandse publiek beluistert hem geregeld zonder het te beseffen. Zijn nummer ‘L’Hiver Indien’ over het isolement waarin immigranten belanden gedurende koude westerse winters staat immers op de soundtrack van het populaire videospel.

Het nummer klinkt zoals wel meer muziek op Baloji’s 137 Avenue Kaniama vrolijk en zomers; zijn nieuwe album is een mix van rap, pompende Europese house en ritmes uit Oost- tot West-Afrika. Het vormt een mooi contrast met de vaak maatschappijkritische teksten. Zo beschrijft hij in ‘L’Hiver Indien’ het immigrantenleven met zinnen als „Exilé intérieur, accroché à son radiateur” (Verbannen naar binnen, vastgeketend aan de verwarming).

Baloji kreeg het idee voor het nummer door de volgens hem eenzijdige berichtgeving over migratie, vertelt hij aan de telefoon. „Migratie is erger voor de Afrikaanse landen zelf dan voor Europa, want zij hebben juist deze mensen nodig. Europese politici vertellen niet dat vaak de meer getalenteerde, welvarende mensen vertrekken, de armsten kunnen de overtocht niet betalen.”

Dat de niet-Franstalige gamers zijn geëngageerde teksten niet meekrijgen, deert hem niet. „Mijn nummers zijn gelaagd. Het nieuwe album is zo opgebouwd dat je de liedjes binnenkomt via de muziek, maar blijft hangen voor de teksten. Maar je kunt ook alleen naar de gitaarrifs luisteren.”

Ik houd ervan om te leren, misschien omdat ik geen diploma’s heb

Zakenman

Autodidact Baloji - zijn echte voornaam, die ‘Man van de wetenschap’ betekent – werd geboren in het Congolese Lubumbashi na een onenightstand van zijn moeder met een in België wonende zakenman. Op driejarige leeftijd nam zijn vader hem mee naar Oostende, later belandde hij in Luik. Na een woelige jeugd verliet hij op vijftienjarige leeftijd de schoolbanken om op zijn zestiende als rapper bij de in België populaire hiphopformatie Starflam te belanden. In zijn tienerjaren dreigde hij te worden uitgezet omdat hij vergeten was zijn visum te vernieuwen. Pas op zijn twintigste kreeg hij met veel moeite de Belgische nationaliteit.

In 2004 verliet hij Starflam en bracht sindsdien vier solo-albums uit die ook internationaal werden opgepikt. Tussendoor experimenteert hij ook gretig met uiteenlopende kunstdisciplines: hij acteert, regisseert videoclips én onlangs zijn eerste korte film, maar heeft ook brillen ontworpen. Baloji: „Ik houd ervan om te leren, misschien omdat ik geen diploma’s heb. Ik ben op mijn negentiende kennis gaan verzamelen: van textiel tot film.”

De titel van zijn vierde solo-album, 137 Avenue Kaniama, is een verwijzing naar het adres van zijn moeder die na 25 jaar radiostilte opeens contact met hem opnam. Het rapnummer ‘La Dernière Pluie - Inconnu à Cette Adresse’ gaat over hoe hij een eerder album, dat hij mede voor haar had geschreven, uiteindelijk haast niet durfde te geven. Hij noemt zichzelf in het nummer een naïeveling: zijn moeder verwachtte na 25 jaar iets wat hen vooruit zou helpen, geen muziek. Tegenwoordig gaat Baloji nog zo’n twee keer per jaar naar Congo, om te werken.

De Afrikaanse en Congolese ritmes ontdekte rapper Baloji organisch in de periode na Starflam. „Ik sampelde voor mijn eerste solo-album de muziek van Kameroense Manu Dibango. Ik keek opeens op een andere manier naar de Congolese ritmes, daarvoor was het voor mij altijd de muziek van mijn ouders, iets waar ik net als alle andere kinderen niet naar wilde luisteren.”

Dat hij in recensies geregeld een artiest wordt genoemd die terugkeerde naar zijn roots, ergert hem. „Ik maak deze vergelijking vaker als grap: als een witte rapper een rockplaat maakt met wat gitaren, zegt iedereen: ‘Oh, hij wordt meer volwassen’. Als een artiest van Afrikaanse origine Afrikaanse invloeden gebruikt, wordt er gezegd: ‘Hij gaat terug naar zijn wortels’. Dat vind ik een goedkope truc om iets samen te vatten wat veel complexer is.”

Wie Baloji op het podium ziet, zal eveneens moeite hebben om hem in een paar woorden te omschrijven; in kleurige kostuums en met een ingenieus geknoopte hoofddoek op, danste hij afgelopen najaar in Antwerpen als één brok springerige energie tussen zijn muzikanten.

Baloji: „De pakken die ik draag zijn geïnspireerd door de bands op huwelijken en in hotels. De hoofdtooi is een ‘gele’ uit Nigeria, die mag normaal gezien alleen gedragen worden door vrouwen, dat is een heel conservatieve samenleving. Daarom vond ik het wel interessant het als man te dragen. Ik draag het ook in enkele video’s die we online hebben staan.”

Dat het publiek, ondanks de sombere teksten, moeite heeft om stil te staan bij zijn muziek, vindt hij positief. „Je moet erop dansen. Daar houd ik van in kunst, dat alles ambivalent is.” Maar begrijpt hij dat het soms ongemakkelijk kan voelen om als witte toeschouwer met je heupen te draaien op een expliciet nummer als ‘Bipolaire-Les Noirs’? De tekst lijkt een scherpe kritiek op pervers exotisme en witte vrouwen die alleen op zwarte mannen vallen.

Baloji lacht: „Daar gaat het absoluut niet over. Het is een verwijzing naar een groot Frans muzieklabel dat Afrikaanse muzikanten en de Afrikaanse markt uitbuitte. Ze speelden een verleidingsspel met artiesten zoals ik, en wij tekenden natuurlijk.”

Tegenwoordig doet Baloji alleen nog maar wat hij zelf wil. Of zijn nummers op de radio worden gedraaid, vindt hij niet belangrijk. Op zijn laatste album meanderen verschillende nummers vrolijk meer dan acht minuten door. „Je moet ook plezier halen uit muziek maken, anders kun je net zo goed in een bank gaan werken.”

    • Sabeth Snijders