‘De flamenco moet bevrijd worden, anders is de dans dood’

Flamenco Biënnale Flamenco op voetbalkicksen en hoverboards: de ‘Don Quixote’ van Andrés Marín is bepaald geen ‘flamenco-met-de-tamboerijn’. En dus bij uitstek geschikt als openingsvoorstelling van de Flamenco Biënnale.

Flamenco-vernieuwer Andrés Marín als Don Quichot.
Flamenco-vernieuwer Andrés Marín als Don Quichot. Foto’s Alain Scherer, Benjamin Mengelle

De sfeer is wat bedrukt in het kleine kantoortje van de dansstudio van Andrés Marín (Sevilla, 1969), die na enig speurwerk te vinden is in een van de steegjes van de oude Sevillaanse wijk Macarena. Marín, zangeres Rosario La Tremendita (Sevilla, 1984) en danseres Patricia Guerrero (Granada, 1990) hebben net een buitengewoon kritische recensie in El Mundo gelezen, daags na de eerste voorstelling van hun Don Quixote tijdens de fameuze Flamenco Bienal in september van vorig jaar. De recensent van die krant, een oude rot, oordeelde dat Maríns visie noch een geactualiseerde versie, noch een naar flamenco vertaalde versie van Cervantes’ meesterwerk was.

„Het is de flamenco-taliban”, briest Marín, die tijdens het gesprek soms geagiteerd uit zijn stoel opspringt om iets te illustreren. „Ik ben niet boos”, vervolgt hij. Het klinkt bij zijn lichaamstaal en vuurspuwende blik enigszins tegenstrijdig. „Ze begrijpen er gewoon geen snars van! Die lui leven in het verleden, zien flamenco als een religie en willen ons censureren. Doodsbenauwd om de controle te verliezen. Wat natuurlijk een illusie is, want die hebben ze niet; ik trek me van niemand iets aan. Zij weten er níéts van, ík heb kennis van zaken.”

Zijn verontwaardiging is enerzijds begrijpelijk. De voorstelling heeft, althans uiterlijk, wel degelijk een onmiskenbaar hedendaags karakter, met een hybride bewegingstaal waarin ook elementen uit de sport – voetbal, boksen – opduiken. Het verhaal van de dolende Don Quichot speelt zich af in een grootstedelijk decor, compleet met skateramp en daklozententje. Een hip hoverboard dient de ‘ridder van de tragische figuur’ als alternatief voor zijn paard Rocinante en onbereikbare droomvrouwen verschijnen bij wijze van Dulcinea op reclamebillboards. Met speciaal gecomponeerde muziek voor elektrische gitaar, teorbe (een soort luit), percussie en cello is de begeleiding ook niet van de soort die Marín smalend beschrijft als ‘flamenco de la pandereta’, flamenco met de tamboerijn.

Aan de andere kant: de voorstelling heeft ook genoeg bijval gekregen en Marín, die zichzelf graag „een don quichot in de flamencowereld” noemt, zou intussen wel gewend mogen zijn aan enige weerstand tegen de stilistische experimenten die hij presenteert sinds hij in 2002 zijn gezelschap oprichtte. Vaak nog meer dan in zijn geboorteland ontmoeten zijn voorstellingen buiten Spanje waardering, niet zelden ook vanuit de hedendaagse danswereld. Zijn voorstellingen passen dan ook goed in de programmering van de Nederlandse Flamenco Biënnale, die vanaf zaterdag de komende drie weken juist focust op vernieuwers als Marín en de flamencosloopkogel Israél Galván (ook op de Flamenco Biënnale). Bovendien lijken de woorden ‘No Soy’ (‘ik ben niet’) op de achterwand niet minder dan een uitdaging aan de ‘fossielen’ van de flamenco.

„Ja, dat is zo”, erkent hij. Een klein beetje oudermoord is het ook: hij is de zoon van danser Andrés Marín en flamencozangeres Isabel Vargas en begon al op zijn zevende te dansen. „Ik wil niet zijn wat men verwacht. Ik ben niet alleen flamenco, en flamenco is niet van ons alleen.” La Tremendita – die met haar half kaalgeschoren hoofd haar bijnaam ‘de krijger’ eer aandoet – vult aan: „Maar het is geen provocatie. Wij willen het werkelijke leven laten zien, met de vragen en de eisen van vandaag. Een tijd waarin je alles moet kunnen, niet één ding.”

„Dat, geplaatst in een groteske setting, dat is theater”, aldus Marín. „Kijk, een escobilla [het deel van een dans waarin de focus ligt op het ritmisch roffelende voetenwerk] schud ik zo uit mijn mouw. Maar waarom zou ik?” Hij springt op en neemt een markante flamencohouding aan, rug hol, een arm sierlijk geheven, de andere geprononceerd in de zij. „Kijk, dit is Farruquito [een meer klassiek georiënteerde flamencodanser]. Moeten wij dat dan allemaal doen?”

Andrés Marín. Foto Alain Scherer

Vooral zijn eigen optreden is, ondanks de verwijzingen naar de realiteit, opmerkelijk naar binnen gekeerd. Vaak lijkt hij voor zichzelf bezig, met onvoltooide ideeën, waardoor delen van de enscenering de verwarde binnenwereld van Don Quichot lijken te representeren. Die is niet altijd even communicatief, zeker niet voor wie uitbundig virtuoze flamenco verwacht. Maar de flamenco, vindt Andrés Marín, moet uit de eigen esthetische codes worden bevrijd, anders is hij dood. „Ik ben bezig de palos [de verschillende flamencostijlen] te deconstrueren. Zodat je, als je naar Patricia kijkt, eerst denkt: wat is dat, dat hoort toch niet zo?” Guerrero en hij staan op en doen een paar passen. „Gaandeweg ontdek je dat ze wel degelijk een romance danst.”

Een romance op voetbalschoenen dan, en in shorts. Don Quichot verschijnt ook in sporttenue, met rugnummer 10. Abel Harana, alias Don Quichots schildknaap Sancho Panza, neemt niet te onderschatten risico’s met zijn dans op een skateboard. Ook de handen, sieraad van de flamenco, worden verstopt. „We laten de danser, de danseres en de zangeres thuis en gaan uit van de dagelijkse, menselijke werkelijkheid”, zegt Marín. „Zonder de maniërismen van ons vak. Daarom wilde ik bokshandschoenen en kicksen gebruiken, om alle houvast weg te nemen en iedereen uit de tent te lokken. Ook de toeschouwer zetten we zo in zijn nakie.”

Patricia Guerrero begint te lachen: „God wat heb ik vaak moeten huilen voor ik die romance getackeld had.” Ze is blij met de ervaring. Marín heeft haar moediger gemaakt, merkte ze, ook in haar eigen werk. In het festival presenteert zij haar tweede solovoorstelling Distopía. „Ik heb meer vrijheid in mijn lichaamstaal gevonden. Ik loop alleen al anders sinds ik met Andrés heb gewerkt. Niet meer continu denkend welke beweging bij een bepaalde vorm hoort. In plaats daarvan zoekend naar een manier om het verhaal op een natuurlijke manier te vertellen. Maar dat loslaten is hard werken, je moet door een muur heen, wegzetten wat er in je lichaam zit.”

Onscheidbaar

„Andrés wilde dat ik tijdens de repetities met hen danste”, verzucht de stoere, gedrongen zangeres Rosario La Tremendita. „Wat voelde ik me bespottelijk!” Toch haalde Marín haar juist door zijn afwijkende benadering binnenboord. „Toen hij begon over Don Quichot dacht ik o jee, daar gaan we weer, cliché! Pas toen hij zijn interpretatie uit de doeken deed, ging ik overstag. Hij wilde bijvoorbeeld een ander vrouwbeeld laten zien dan in de traditionele flamenco wordt gepresenteerd. Bij Cervantes lees je al toespelingen op de vrijheidsstrijd van de vrouw. Die oude knakker heeft een aantal libertijnse vrouwen opgevoerd.”

Zelf heeft de experimentele flamencosinger-songwriter Tremendita drie succesvolle albums op haar naam. In Marín ziet ze een verwante ziel, een collega-musicus bovendien, met gedetailleerde kennis van de canto jondo, de zang die de oorsprong is van de flamenco. „Hij weet echt microdingen! Muziek en dans zijn voor hem één, één lichaam, onscheidbaar. Tijdens de les zingt en danst hij tegelijk, waardoor elke pas, elke sfeer, elk ritme precies past.” Ze begint te zingen, Marín valt in. „Ik zit te wachten op een cd van Andrés.”

De flamenco moet vooruit, vinden ze alledrie. Hoeveel respect ze ook hebben voor de traditionele flamenco; de oogkleppen moeten af. „De flamenco van de gitanos [zigeuners] is krachtig en belangrijk, maar is vooral gericht op zelfbehoud, niet op ontwikkeling”, stelt Marín. „Een intellectuele, onderzoekende benadering ontbreekt.” Ook daarom wil hij zijn kennis doorgeven aan de volgende generatie. „Ik ben kieskeurig, maar je moet altijd naar de jeugd kijken. Zij moeten ons verder brengen en van alle denkbare middelen gebruikmaken om aan hun eigen ontwikkeling te werken.” Hij lacht. „Wat soms best confronterend is voor iemand van mijn generatie. Patricia kan bijvoorbeeld álles. Ook wat ik niet kan.”

Om het te bewijzen springt hij nog eens op.

    • Francine van der Wiel