Opinie

Hoe dan

Ellen Deckwitz

Misschien komt het door de post-partumdepressie die altijd volgt op de feestdagen, of gewoon doordat de mensheid de zonzijde van het bestaan altijd schromelijk overschat, maar mijn hele omgeving ligt de laatste tijd op haar gat. Mijn vader, doorgaans zo blij dat je hem even apart wilt nemen om te vragen of het ook iets minder kan, is veranderd in een mokkende walrus en mijn leerlingen leveren nog later dan normaal hun strafwerk in. Iedereen lijkt te kampen met een serotonine-eclips.

„Het is een nieuw jaar en opeens moet je weer van alles”, zuchtte mijn neefje (13), „terwijl ik geeneens weet hóé ik moet leven.” Hij staarde me zo verwachtingsvol aan dat ik er ongemakkelijk van werd.

„Weet iemand dan hoe hij wél moet leven?” probeerde ik.

Hij keek me veelzeggend aan, alsof ik het geheim heus wel wist maar hem pestte door het niet te zeggen. Het was best kansloos, bedacht ik, om toe te moeten geven dat ik hier al 36 jaar rondloop zonder echt een plan. Het zweet brak me uit.

„Laten we eens kijken wat het internet adviseert”, zei ik haastig en we googleden ‘leven’. Het leverde geen bevredigende antwoorden op maar wél interessante afbeeldingen: plaatjes van mensen die tegen een ondergaande zon bij wijze van non-verbaal hoera de armen boven hun hoofd strekken.

„Leven is een houding”, giechelde mijn neefje. Het gros van de zoekresultaten bestond uit droomlandschappen: stoere bergketens, voluptueuze bossen en fotogenieke watervallen. Het soort omgeving waar de meerderheid van de mensheid, tenzij je strandwacht of reisleider bent, haar dagen niet in doorbrengt. ‘Leven’ was dus vooral een ideaal waar de meeste levens flets bij afsteken.

Teleurgesteld gingen we maar iets voor onszelf doen. Ik pakte De grenzen van mijn taal van filosofe Eva Meijer er weer bij, en stuitte daar op de volgende passage: ‘Mensen onderschatten hoe erg je moet wennen aan het leven, vergeten dat leven voor veel mensen niet iets is wat ze meteen kunnen, dat sommigen nooit leren.’ Ik schreeuwde mijn neefje meteen achter zijn PS4 vandaan en toonde hem het fragment.

„Met andere woorden: in plaats van te weten hoe je moet leven, zou je beter eerst een beetje wennen aan het feit dat je überhaupt bestaat”, humde hij gefascineerd.

„Ja joh”, zei ik opgelucht, „een beetje rondlopen, beetje acclimatiseren. Een soort pootjebaden in het pierenbad, rondkijken alsof je alles voor het eerst ziet. De bodem met je tenen aftasten.”

Dat liet hij even op zich inwerken.

„En blij zijn”, besloot ik, „dat er tenminste een bodem is. Dan heb je iets om je tegen af te zetten.” De rest van de avond leefden we met twee vingers in de neus.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.