Het welvarende Nieuw-Zeeland is kampioen daklozen

Woningnood Bijna één op de honderd mensen in het welvarende Nieuw-Zeeland is dakloos. De regering wil dat probleem aanpakken. Lukt dat?

Phil Walter / Getty Images

Onder het afdak van een winkel in het centrum van Auckland slaapt een man op een stuk karton, deken over zich heen. Deze dakloze is geen uitzondering in Nieuw-Zeeland. Bijna één op de honderd inwoners is er dakloos. Daarmee heeft het land verhoudingsgewijs de meeste daklozen van alle rijke industrielanden die lid zijn van de OESO. Ter vergelijking: in Nederland gaat het om minder dan 0,2 procent van de bevolking.

Nieuw-Zeeland kampt al jaren met het daklozenprobleem. Voor premier Jacinda Ardern was het in 2017 een speerpunt in haar verkiezingscampagne. Tot die tijd wilde de overheid eigenlijk niet erkennen dat er een daklozenprobleem is, zegt Iain Butler, woordvoerder van Housing New Zealand, een overheidsorganisatie voor huisvesting.

Dat is nu veranderd. Phil Twyford, minister van Huisvesting, spreekt van een „belachelijke” situatie. „Dat een land als dit, met zoveel ruimte en zoveel welvaart, niet voor genoeg woningen kan zorgen, is echt raar.”

Op zijn werkkamer in het parlementsgebouw in Wellington somt Twyford oorzaken op. Inderdaad, de overheid hield zich lang afzijdig van de huizenmarkt. Veel land is in particuliere handen, wat nieuwbouw bemoeilijkt. De huizenmarkt is krap doordat rijke beleggers panden opkopen. En dan is er nog de lage productiviteit van de bouwsector; woningbouw in Nieuw-Zeeland is vanouds vrij ambachtelijk en kleinschalig.

Maorigrond

Toch komen er langzaam veranderingen. Er is aandacht voor sociale woningbouw, er zijn stacaravans gekomen voor tijdelijke opvang van daklozen. Ook laat de overheid ‘kiwihuizen’ bouwen: betaalbare huizen in een overspannen markt – zij het trager dan beoogd, zo berichtte The Guardian deze week.

Ook zijn er problemen met het vinden van bouwterrein. Zo had de overheid voor de bouw van vijfhonderd huizen het oog laten vallen op het Ihumatao-gebied, nabij Auckland – maar dat is Maorigrond, waar ook mensen begraven liggen. Advocate Pania Newton organiseert nu wekelijkse demonstraties op het lege, rotsachtige terrein. Zo houdt ze het ‘bezet’, al maakt ze bezwaar tegen die term: „We willen terug wat van ons gestolen is, en de ruimte hebben om onze voorouders die hier liggen te eren.” Ze heeft de Verenigde Naties aan haar kant. Huisvestingsminister Twyford wil niet inhoudelijk op de kwestie ingaan. Wel zegt hij Maori’s bij de besluitvorming te willen betrekken.

De langdurige afwezigheid van de overheid op de huizenmarkt wreekt zich in de huursector. Daarop is nauwelijks controle. „De kwaliteit van huurhuizen is verschrikkelijk”, vertelt Twyford. „Elk jaar sterven 1.600 ouderen doordat ze in tochtige, onverwarmde huizen wonen. ‘Onnodige wintersterfte’ noemen we dat. Ruim 40.000 kinderen belanden elk jaar in ziekenhuizen met longinfecties door tocht. We stellen nu standaarden op voor modernisering van huurhuizen.”

Voor mensen met krappe inkomens biedt de koopsector geen uitkomst. „Zodra een huis vrijkomt, ontstaat een biedingsoorlog.” Dat is volgens Twyford vooral de schuld van buitenlandse beleggers. Aziaten, met name Chinezen, kopen huizen en grond op. Vorig jaar werd daarom een wet aangenomen om die ontwikkeling te remmen. Twyford: „Chinees geld drijft de huizenprijzen ver voorbij het punt dat de lokale bevolking nog kan betalen. We willen dat de prijzen bepaald worden door de Nieuw-Zeelandse markt, niet door buitenlandse investeerders.”

Intussen wordt er wel gebouwd in Auckland, en op een andere manier dan vroeger: er komen rijtjeshuizen en flats. Dat zijn heuse innovaties voor een stad waarin elke huis een tuintje heeft.

Een dakloze heeft beschutting gezocht in een portiek in Auckland, Nieuw-Zeeland. Foto Asanka Brendon Ratnayake/The New York Times

Ofschoon de woonflats veelal maar vier verdiepingen tellen, begint het besef dat hoogbouw bij een volwassen stad hoort eindelijk door te dringen, aldus Butler. „Dat niet eerder zo is gebouwd, is een historische vergissing. Land was goedkoop en iedereen wilde een huis met voor- en achtertuin. Er werden ringwegen aangelegd, waardoor Auckland vooral uitgestrekt is.” Maar inmiddels daagt het besef dat het absurd is miljarden uit te geven aan wegen om iedereen bereikbaar te houden, terwijl je ook de hoogte in kan om mensen bij elkaar te brengen. „Voor het eerst gebruiken we de ruimte goed”, concludeert Butler.

Charlotte Ama, manager van daklozencentrum City Mission in Auckland, maakt een kanttekening. Goedkopere woningen zijn prima, zegt ze, maar daar los je het daklozenprobleem niet op. Daklozen en huisvesting mogen onder hetzelfde ministerie vallen, maar gebrek aan woonruimte is zelden de kern van hun problematiek. Ze hebben andere problemen, zoals een verslaving, waardoor ze dakloos zijn geraakt. „Wat Nieuw-Zeeland nodig heeft, is een aparte minister voor daklozen.”

Ama wijst erop dat vrij veel daklozen Pacific Islanders zijn, die al jong Melanesië, Micronesië of Polynesië hebben verlaten op zoek naar werk of scholing in Nieuw-Zeeland. „Als dat niet lukt, raken ze getraumatiseerd en is er niemand om op terug te vallen. Zo’n probleem los je niet op door een huis te bouwen.”

Nieuw-Zeeland heeft sociale voorzieningen, maar volgens Ama wijzen ambtenaren daklozen daar te weinig op. Vooroordelen, denkt ze. „Precies daarom ook worden daklozen bij elkaar gezet, in plaats van hen verspreid over de stad op te vangen.”

Ama maakt een weids gebaar in haar kantoor, een ruimte met grijze, kale muren en een klein raampje op het noorden, ondergebracht in een slooppand. In de laatste winter gingen er mensen in dit gebouw dood van de kou. „Ik heb de hoop op een oplossing vanuit de regering opgegeven. Ze vangen alle problemen onder één paraplu. Gezinnen gaan voor. Als je alleen bent en dakloos, kan je een woning wel vergeten.”