De hongerige generatie Afro-Braziliaanse filmers

IFFR Film moet weer brutaal, sexy en relevant zijn, zegt de nieuwe generatie activistische Afro-Braziliaanse filmmakers. Met aandacht voor de zwarte diaspora.

‘Kbela’ van Yasmin Thayná
‘Kbela’ van Yasmin Thayná

Met triomfantelijk tromgeroffel. Zo begint kortfilm Alma no olho, die nu zijn naam geeft aan het IFFR-programma Soul in the Eye over de Afro-Braziliaanse film. Alsof regisseur Zózimo Bulbul bij zijn eerste film in 1973 al aanvoelde hoe belangrijk die zou worden voor de geschiedenis van de zwarte film. De beelden zijn even eenvoudig als veelzeggend, en daardoor complex en ambigue. Ogenschijnlijk onschuldige verkenningen van de camera van een zwart mannenlichaam monden uit in een uitzinnige dans waarin een man in pak zich van zijn ketenen bevrijdt. Het filmpje van tien minuten gaat over alles: over de representatie in film van de zwarte man en zijn lichaam, over de kolonisatie van het lichaam, over vooronderstellingen en schijntegenstellingen, over cultuur en natuur.

Alma no olho had nu gemaakt kunnen zijn.

Filmmaker, activist en acteur Zózimo Bulbul (1937-2013) heeft een cultstatus in de geschiedenis van de Braziliaanse film. Hij wijdde zijn leven aan het zichtbaar maken (of beter gezegd: aan het zichtbaar maken van het politiek en sociaal onzichtbare) van de pan-Afrikaanse erfenis in de Braziliaanse maatschappij.

Bizar en sexy

Nu in 2019 in Brazilië de extreemrechtse populist Jair Bolsonaro als president is geïnstalleerd pakt Soul in the Eye op IFFR het stokje over. De Afro-Braziliaanse film is levend als nooit tevoren, maar tegelijkertijd dreigt marginalisering. Niet zonder ironie wordt dat verbeeld in metafilm Ilha (2018) van Glenda Nicácio en Ary Rosa (vorig jaar op het IFFR met Café con canela). In die film kidnappen twee activistische aspirant-filmmakers een collega van de oude garde om hen te helpen een film te maken over het uitzichtloze eiland waarop zij zich bevinden. Ze roepen hem ter verantwoording: waarom heeft hij de idealen van het verleden verraden? De cinema moet weer hongerig worden, werpen zij hem voor. Een verwijzing naar Glauber Rocha, die met zijn manifest The Aesthetics of Hunger in de jaren zestig de Cinema Novo-beweging initieerde, de Braziliaanse variant op het Italiaanse Neo-Realisme. Maar de honger moet niet alleen worden gestild met films die relevant zijn, maar ook met films die bizar, associatief en sexy zijn. Want ook dat is een traditie van de Braziliaanse film.

Voor meer over het programma, de films en de makers op het Internationaal Film Festival Rotterdam 2019, zie dossier IFFR 2019

Het IFFR-programma bevat veel kortfilms, die alle kanten van het spectrum belichten. Ze zijn boos en wild, bont, punky en alledaags en alles tegelijk. Ze hebben links met de afrofuturisme-esthetiek van de Afrikaanse cultuur in diaspora en met de Braziliaanse traditie van culturele antropofagie. Kbela (2015) van debuterend regisseur Yasmin Thayná zou je kunnen beschouwen als een hedendaagse vrouwelijke tegenhanger van Alma no olho. Het is een op hol geslagen jazzopera en een tedere performancefilm tegelijkertijd. Net zo weerbarstig als het kroeshaar dat er in bezongen wordt. Net als bij Bulbul blijken diversiteit en body politics onlosmakelijk met elkaar verbonden.

Dat is ook de strekking van Quantos eram pra tá? (2018, Vinícius Silva, ‘Hoeveel waren er’) waarin als in een soort Braziliaanse Dear White People drie zwarte studenten hun witte studieomgeving onder de loep leggen. De titel is ontleend aan het rapnummer ‘Eram pra tá’ van Sant, dat als een muzikaal thema de film opent. Net als zijn collega’s stelt hij de vragen die onder Bolsonaro dreigen te worden weg- en witgewassen. Je hoeft alleen maar te kijken om te begrijpen wat de film bedoelt: hoofdpersonen Dandara, Luis en Vinícius zijn steeds de enige zwarte mensen in het kader.