Opinie

Leven in het Plasticeen

None

De wind blies met stormkracht uit het noordwesten, het strand bij Midsland aan Zee was zo goed als leeg. Een week eerder was het nog het toneel geweest van een apocalyptische vloed plastic gebruiksvoorwerpen, nu vond ik nog slechts twee kleine, roze poppenborsteltjes. De kinderportemonnees die we een week eerder jutten, waren door de kinderen al onder nichtjes en vriendinnen verdeeld. Bij de strandopgang stond een container vol huishoudelijke troep die je bij de Xenos vindt.

De man van de autostalling in Harlingen was daags nadat de containers van de MSC Zoe waren geslagen uitgevaren met zijn boot, en beschreef hoe hij door een zee van plastic speelgoed voer. Hij en zijn passagiers hadden zoveel mogelijk opgevist – de buit had hij op de vloer van de garage uitgestald. Bootjes, verpakkingsmateriaal, opmaaksetjes, poppenhuisspul; obsceen veel roze.

Twee dagen na de containerramp voor de Waddenkust werd in de noordelijke Pacific de plasticvanger van Boyan Slats Ocean Cleanup voor reparatie teruggesleept naar de wal; plastic blijkt een onoverwinnelijke tegenstander.

Afgelopen zomer voer ik met het onderzoeksschip Pelagia van het Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee van Texel naar de Azoren. In Vrij Nederland deed ik verslag van het onderzoek aan boord. Studenten Marine Sciences namen watermonsters op verschillende dieptes en filtreerden die in het kleine lab. Onder de microscoop waren synthetische vezels te zien die al op vijfendertig meter diepte werden aangetroffen. Het sneeuwt plastic in zee, noteerde ik, en dat we leven in het Plasticeen, een naam die me geschikt lijkt voor het huidige tijdvak van het Holoceen.

Mijn bewustzijn van het alomtegenwoordige plastic begon in het Lauwersmeer, waar ik in de winter van 2010 gedurende een week was gestationeerd in een boothuis. Het was voor een radioproject van de VPRO dat ‘Een kamer in het verleden’ heette – ik verbleef op het onbewoonde eilandje Senneroog zonder telefoon en internet, maar met opnameapparatuur om verslag te doen voor de radio. Daar, in die verre eenzaamheid, vatte ik het plan op om een mystieke eco-cultus te beginnen, die erin bestond dat ik het eiland zou vrijmaken van alles wat aan de mens herinnerde. Met hoge laarzen aan waadde ik langs de boorden van het eiland, waarbij het hoge, dode riet in mijn vingers sneed, en verzamelde dag na dag al het afval dat ik kon vinden: een tennisbal, een kannetje diesel, een autoband, een emmer en een viskoffer. Oneindig veel plastic tassen, wikkels en petflessen. Zakken vol bracht ik aan land.

De uiterste consequentie van mijn arbeid, bedacht ik gaandeweg, was dat ik ook mezelf als afval beschouwde, afval dat moest worden opgeruimd. Omdat in het hart van mijn kleine cultus de leegte school, een leegte waarin ik zelf symbolisch in zou verdwijnen, bouwde ik op het midden van het eiland een primitieve baar van paaltjes en takken voor een vreugdevuur. Het was nog best lastig omdat ik geen spijkers en touw had. In het water zag ik een lang stuk afrasteringslint drijven waarmee ik de constructie kon verbinden; ik kleedde me uit en ging te water om het te bemachtigen.

Op de baar modelleerde ik al het zwerfafval tot een grote mensfiguur – een zelfportret in plastic. Ik sneed schoven riet voor onder de baar, samen met al het droge hout dat ik kon vinden, en joeg er de brand in. Terwijl de vlammen hoog oplaaiden, dacht ik wat de cisterciënzer monnik Isaak van Stella had gezegd, toen hij halverwege de twaalfde eeuw was verbannen naar een afgelegen eiland: ‘Ja, hier in deze eenzaamheid, uitgeworpen ver in zee en zonder bijna iets gemeen te hebben met de rest van de wereld, verstoken van alle menselijke en wereldlijke troost, zijt ge totaal als dood geworden voor de wereld’.

Door de stilte en de eenzaamheid beleefde ik het vuur en de zelfverzonnen mystiek als zuiver en echt, zoals dat gaat wanneer onze gedachten het vacuüm van de radicale overtuiging bereiken.

‘Een kamer in het verleden’ is na te luisteren op vpro.nl

Tommy Wieringa schrijft elke week een column op deze plaats.