Opinie

    • Marcel van Roosmalen

Wrapped

None

Boven de ingang van het VPRO/NTR/BNNVARA-gebouw op het vastgoedproject van Prins Bernhard jr. in Hilversum hing een poster die deed denken aan Laura Palmer, het vermoorde meisje in de televisieserie Twin Peaks. ‘She is dead, wrapped in plastic.’

Het was geen aankondiging van een herhaling, maar een foto van het dubbelgevouwen blotemannenlijf van Menno Bentveld, de sympathieke vogel van het televisieprogramma Vroege Vogels. Hij had zich ter promotie van zijn nieuwe programma Ik, Plastic vacuüm laten zuigen door een Japanse kunstenaar.

Voor de VARAgids liep ik ooit een ochtend achter Menno Bentveld aan in natuurcentrum De Maashorst, een stuk Brabant tussen de plaatsen Uden en Zeeland. We zouden daar wat ‘grote grazers’ ontmoeten. Ik had tevoren wel zes keer gevraagd hoe lang het zou duren, want ik had die middag een crematie.

„Ja”, zeiden ze van het productieteam, „hoe lang duurt een ontmoeting met een wisent? Niet zo lang toch?” Gevolgd door de opmerking dat er in Nederland altijd wel ergens een station in de buurt is.

Na een lange autorit parkeerde Menno de auto tussen de bomen aan het eind van een landweggetje. Het interview hadden we onderweg al gedaan. Hij hing een verrekijker om zijn nek en haalde een paar bergschoenen uit de kofferbak van zijn auto. „Ik ben op alles voorbereid”, zei hij. „Kijk, rubberlaarzen, een oude regenbroek. Ik heb standaard een thermo-onderbroek aan. Als je de hele dag in het veld staat kun je zo koud worden. Je moet niet staan te blauwbekken voor de camera.”

We wandelden het open veld in, ergens tussen niets en nergens troffen we de crew. De grote grazers, wisenten, waren er ook. Ik kon mee terugrijden met een boswachter die zichzelf ‘een vriend van de dieren’ noemde. Hij moest nog even wat controleren in een ander stuk bos. Ging dat nog qua tijd?

Ik bleef wachten in zijn auto. De regen sloeg tegen de raampjes, de radio was niet aan te krijgen en de mobiele telefoon deed het niet. Of hij was me vergeten en hij stond ergens een boom om te kappen, of hij was verdwenen, concludeerde ik een paar uur later. Ik liet een briefje voor hem achter met mijn telefoonnummer en worstelde mezelf zonder thermo-ondergoed de driehoek Uden-Zeeland-Oss uit.

Tot op het bot verkleumd belandde ik op die crematie.

„Ik kom uit het bos”, zei ik tegen een bekende die vroeg wat er in godsnaam met mij aan de hand was.

Toen ik mijn verslag een week later voorlegde aan het productiehuis wist niemand over wie ik het had toen ik over die boswachter begon. Een persvoorlichter stelde me gerust met het goedbedoelde doordenkertje dat iemand die door niemand wordt gemist natuurlijk nooit vermist kan zijn.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.
    • Marcel van Roosmalen