Veel superrijke Nederlanders hadden ‘psychopatische’ trekjes

Recensie De geschiedenis van de superrijken onthult interessante patronen. Afkomst, een extreem karakter en pikken van andermans uitvindingen blijken cruciaal.

De familie van Jan van Loon, behorend tot de ‘superrijken’, geschilderd door Adriaan de Lelie (1786)
De familie van Jan van Loon, behorend tot de ‘superrijken’, geschilderd door Adriaan de Lelie (1786) Collectie Stichting Van Loon

Helaas, een beproefd recept voor rijkdom bestaat niet. Wel helpt het om een beetje geluk, hier en daar een ‘psychopatisch’ trekje én een vermogende familie te hebben. Neem Willem I der Nederlanden. De ondernemende prins van Oranje-Nassau en koning-koopman was niet alleen van gegoede komaf, hij wist ook zijn vermogen in een kwart eeuw te vertwintigvoudigen. Het kon daarbij naar verluidt geen kwaad dat hij autoritair en manipulatief kon zijn.

Wie naar de geschiedenis van rijkdom kijkt, kan tot wel meer interessante conclusies komen. Over de aanzienlijke rol van immigratie in de welvaart van Nederland – of eigenlijk de lage landen – bijvoorbeeld. Het merendeel van de twintig rijksten uit de Gouden Eeuw was van buitenlandse oorsprong, zo blijkt. De bekendste naam in dat rijtje was – daar is ’ie weer– de familie Oranje-Nassau. Bovendien introduceerden vermogende immigranten door de eeuwen heen allerhande innovaties. Zoals de Britse ondernemer William Cockerill, die rond 1800 vanuit Engeland als het ware de industrialisatie naar het Europees continent bracht. Eerst opende hij met zijn kennis van weeftechnologie in Luik zijn eigen textielfabriek, om vervolgens een hoogoven en een staalfabriek te beginnen.

Corpulente Quote 500

Dit alles is te lezen in het boek Superrijk in de lage landen van sociaal geograaf Jos van Hezewijk (met medewerking van journalist Marcel Metze). Het is een soort corpulente Quote 500, maar dan van Nederlandse en Belgische rijken door de eeuwen heen, gebaseerd op jarenlang onderzoek.

Het lijvige naslagwerk laat aan de hand van thematische lemma’s zien hoe rijkdom en vermogen zich door de eeuwen heen hebben ontwikkeld. En hoe daarbij alles constant verandert en toch hetzelfde blijft. Want we hebben ons misschien van het feodale naar het Romeinse, naar het napoleontische en steeds verder door naar het huidige rechtssysteem ontwikkeld, sommige dynamieken veranderen niet. Zo valt aan natuurlijke rijkdommen van oudsher goed te verdienen. Van de turfwinning door Willem ‘Snickerieme’ van Duvenvoirde in de veertiende eeuw, tot de oliehandel van de in Den Haag geboren Alfred H. Balm (1936) in Canada.

De thematische lemma’s in ‘Superrijk’ zijn niet altijd even intuïtief en de gekozen indeling zorgt voor nogal wat inhoudelijke overlap tussen hoofdstukken. Ook had het boek op plekken meer eindredactie kunnen gebruiken.

In een opmerkelijk hoofdstuk signaleert Van Hezewijk een andere veel voorkomende overeenkomst tussen de rijken door de eeuwen heen: psychopatische trekjes. Niet dat ze per se gevaarlijk of gek zijn, dat niet. Maar bij een derde van de beschreven families zouden eigenschappen te ontwaren zijn die psycholoog Kevin Dutton als psychopathisch heeft omschreven. Willem I stond daarin allerminst alleen. Anton Kröller bleek naast een fervent kunstverzamelaar bijvoorbeeld een roekeloos handelaar. En de zeventiende-eeuwse Amsterdamse burgemeester en latere VOC-bewindvoerder Jeronimo de Haze toonde zijn weinig menslievende kant toen hij in 1696 een opstand op gewelddadige wijze de kop indrukte.

Van Hezewijk beschrijft ook hoe de lage landen niet zozeer uitmunten in innovatie, maar vooral goed zijn gebleken in het ‘verbeteren’ van uitvindingen. Te beginnen met de Nederlandse aanpassingen aan de vermoedelijk in China uitgevonden windmolen. De Nederlandse industrialisatie werd gestimuleerd door opschorting van de Patentwet in 1869. Daarna pas werden Nederlanders groot in onder meer margarine en gloeilampen. Dan gaat het om ondernemers Antoon Jurgens en Simon van den Bergh, die dankzij overname van de Franse uitvinding van kunstboter de basis legden voor het latere Unilever. En over de gloeilampen naar – aanvankelijk – Brits en Amerikaans-Duits ontwerp van ingenieur Gerard Philips. Eerder was er de genoemde William Cockerill, die vanaf 1799 voor zijn weefgetouwen in de lage landen gebruikmaakte van Engelse uitvindingen die niet beschermd waren onder het toenmalige Franse regime.

De kwestie van de Patentwet biedt ondertussen ook een zinvol historisch perspectief om mee naar de huidige protectionistische retoriek in onder meer de Verenigde Staten te kijken. Nederland maakte zich er internationaal niet bepaald populair mee, maar het legde de Nederlandse economie tot op heden geen windeieren.

Rijken van nu zijn veel rijker

Van Hezewijk behandelt ook de niet onbelangrijke vraag: wanneer ís iemand eigenlijk ‘superrijk’? Vermogens in heden en verleden zijn volgens Van Hezewijk lastig te vergelijken. Niet alleen ontbreken allerlei financiële gegevens, ook zijn er verschillende rekenmethoden. Moet je uitgaan van de ontwikkeling van de prijsindex, of van het gemiddelde arbeidsloon? Of van het bruto binnenlands product per hoofd van de bevolking?

Toch geeft wat wél bekend is goed inzicht in de ontwikkeling van welvaart in Nederland. De rijken van nu blijken veel rijker dan die van grofweg vier eeuwen geleden.

Althans, volgens de prijsindexberekening. Waar de twintig rijksten van de zeventiende eeuw gemiddeld een miljoen gulden hadden – „in huidige waarde” een koopkracht van 9 miljoen euro – bezitten de twintig rijkste Nederlanders nu gemiddeld een miljard euro. „Zij zijn er dus 111 maal op vooruitgegaan”, concludeert Van Hezewijk.

De koopkracht van Jan Modaal is daarentegen nu negen keer zo hoog als die van de gemiddelde zeventiende-eeuwse mens. Zo wordt het cliché over de rijken die steeds rijker worden ook met een blik op het verleden weer bewaarheid.