Recensie

Te kluchtige kijk op tragiek Syrische burgeroorlog

Recensie

In ‘Assad’ buigen Jan Hulst en Kasper Tarenskeen zich over het spanningsveld tussen de hedonistische beleving van de westerling en de tragiek van de Syrische burgeroorlog.

Scène uit Assad, met Gohkan Giriginol in de rol van Anna Wintour, Chiem Vreeken als piloot en Dunya Khayame als Jane.
Scène uit Assad, met Gohkan Giriginol in de rol van Anna Wintour, Chiem Vreeken als piloot en Dunya Khayame als Jane. Foto Sanne Peper

De voorstelling Assad van Jan Hulst en Kapser Tarenskeen (tekst en regie) begint in 1994, als Bashar Al-Assad, de latere Syrische dictator, nog in opleiding is voor oogarts in Londen. In een clowneske scène opereert hij het oog van een vrouw, Jane. De kolderieke toon wordt doorgezet in de volgende scène (2010, New York), waarin Jane kibbelt met haar man, omdat zij voor Vogue de vrouw van de dictator, Asma Al-Assad, gaat interviewen. Anna Wintour, baas van Vogue, komt langs, gespeeld door een man met blonde pruik en neergezet als een zelfingenomen tante, die anderen als „mieren” beschouwt.

Hulst en Tarenskeen zijn twee jonge, talentvolle theatermakers, die zich als auteurs hebben bewezen met frivole actualiseringen van bestaand materiaal. Maar het eerste deel van Assad is matig cabaret met typetjes die al jaren een populair mikpunt vormen. De ironische overdaad aan populaire Engelse termen als ‘woke’, ‘blessed’ en ‘bitches’ versterkt dat gevoel van sleetse humor.

De voorstelling kantelt als de setting verhuist naar Palmyra, ook in 2010, en de lokale archeoloog Jane op serieuze toon bijpraat over Syrië. De meligheid keert weliswaar terug als haar Vogue-reportage over de presidentsvrouw wordt voorgedragen, maar ondanks de groteske speelstijl lijkt de inzet van Hulst en Tarenskeen wel degelijk serieus.

Een flits van ernst

Het is hen te doen om het spanningsveld tussen de hedonistische belevingswereld van de westerling/millennial en de tragiek van de Syrische burgeroorlog. Het onvermogen van westerlingen om op een zinvolle manier te reageren op deze catastrofe is relevante problematiek, maar het lukt de makers niet er iets gedenkwaardigs over te zeggen.

Behalve de journaliste en de archeoloog voeren Hulst en Tarenskeen nog een Syrische piloot op, die wordt bevolen een woonwijk te bombarderen, en een jonge westerse vrouw, die in 2015 het verwoeste Palmyra bezoekt. Dit malle typetje raaskalt dat er geen oplossingen zijn, en dat alleen empathie kan voorkomen dat we „allemaal schuldig” zijn.

Zij krijgt antwoord van de archeoloog, die betoogt dat de enige oplossing voor Syrië zou zijn dat alle groepen elkaar vergeven. Maar aangezien iedereen geliefden verloor, beschouwt hij dat als een onmenselijke opgave. Het is een serieuze overweging, een flits van ernst in een poel van gebabbel en kluchtigheid.

    • Ron Rijghard